Op die fiets

maandag 19 maart 2012 door: Jos Swanenberg

Soms, heel soms, is de wetenschap van de herkomst van woorden, de etymologie, in het nieuws. Dit wat weggestopte maar reuze interessante hoekje van de taalwetenschap haalt niet vaak de dagbladen, laat staan de nationale televisie, maar laatst was het zover: het mysterie van de fiets was opgelost! De betrokken etymologen (De Boel en De Grauwe) werden in diverse programma’s uitgenodigd, als waren zij kandidaten voor de Nobel-prijs. Wim Daniels vertelde in Pauw en Witteman hoe het verhaal in elkaar steekt.

 

 

De twee hoogleraren van de Universiteit Gent kwamen met de volgende, lang verwachte oplossing: fiets zou een verbastering zijn van het Duitse Vice-Pferd of Vize-Pferd en dus eigenlijk 'plaatsvervangend paard' betekenen. Een Ersatz-Pferd, briljant! De fiets is ten slotte nog altijd ons stalen ros. Maar hoge bomen vangen veel wind...neerlandicus Jan Stroop reageerde met “Fiets een Duits leenwoord? Ga toch fietsen”!

Ik ben bang dat het mysterie inderdaad nog niet is opgelost. Er is alleen maar een nieuwe hypothese voorgelegd, waarvoor weinig overtuigende argumenten worden gegeven door de Gentenaren. Het grootste probleem is dat Vizepferd niet werd geattesteerd, en dat je dan geen tijdslijn kunt opstellen. Vize wordt wel als Duits dialectwoord Fits/Vits opgevoerd, maar dat komt alleen in de grensstreek voor. Het kan dan net zo goed van Nederland naar Duitsland zijn gegaan als andersom. In Nederland is nooit een fietsbenaming vice waargenomen.

Dat Vize verder niet voorkomt, wordt door de Gentenaren verklaard door homoniemenvrees. Maar homoniemenvrees werkt vooral binnen semantische domeinen, als er echt verwarring dreigt. De hypothese bevat geen goede verklaring van hoe het Nederlands zijn woord fiets uit het Duits heeft geleend; dat is logisch want de auteurs hebben geen Vizepferd kunnen vinden, alleen maar verondersteld.

De ontdekker kwam trouwens op dit spoor toen hij Duitse vrienden cider schonk. In het zuidelijke Rijnland heet het vice-wijn (surrogaatwijn), kortweg viez, wat uitgesproken wordt als fiets. Zo kan het volgens hem ook zijn gegaan met de fiets. Van vice-paard, naar viez, naar fiets.

Alternatieve verklaringen zijn er in overvloed. Van het Franse vite tot het Franse vélocipede (fielesepee-fietsepee-fiets….tja). Ik heb nog het meeste vertrouwen in A.P. de Bont, beschrijver van het dialect van Kempenland. hij meldt het volgende in 1958: "fietse: met een lichte en vlugge beweging zich verplaatsen. Hij fietse-n uit z’n bed. Opmerking: het ww. fietsen schijnt in ons dialekt al bestaan te hebben voor er ten onzent fietsen bekend waren; vgl. ook de geslachtsnaam Fiets op de Veluwe en in Oerle een oude bijnaam voor een zekere vrouw (1854-1932), Miej Fiets, die in haar jonge jaren bijzonder rap was. Bij Kats is fietse weg-, binnenglippen; stelen." Die Kats is de auteur van een vormleer van het Roermonds dialect uit 1939. Tweede betekenis is volgens De Bont "coïre, synoniem neuke". De Bont noemt verder nog een tussenwerpsel: Fiets! Dat betekent ‘hup’, aansporing om te springen bijvoorbeeld.

Verder is fiets een Noordoost-Brabants dialectwoord voor ondermelk, naast zwierts in Midden-Brabant. Naar mijn gevoel geven beide woorden het snel slingeren van melk (in een machine) weer, centrifugeren als het ware. Elders in Nederland komen ook dergelijke dialectwoorden voor: Zuid-Limburgs vietse ‘hard lopen, zich snel voortbewegen’, Noord-Limburgs fiette in dezelfde betekenis, Gronings fietern ‘snel gaan’.

Fietsen was dus al in verschillende dialecten in gebruik om een snelle beweging te benoemen, en dat lijkt me de meest voor de hand liggende etymologie. De oudste schriftelijke attestatie (zie regel 7 van de linkerkolom) is trouwens ook voor het werkwoord fietsen (1885), een jaar eerder dan voor het zelfstandig naamwoord fiets (1886).



reactiesEtymologie Dialect 


Thuis in Brabant
 
Links | Colofon