Station 's-Hertogenbosch: rijp voor de sloop

donderdag 26 januari 2012 door: Jurgen Pigmans

Smaken verschillen. Zo zijn er ongetwijfeld mensen die Station ’s-Hertogenbosch prachtig vinden. Ik behoor niet tot die club. De voorgangers van het huidige (en tevens vierde) station kunnen mij meer bekoren. Helaas: alle gesloopt. Dus, op naar nummer 5!

Station nummer 2. (Collectie Stadsarchief 's-Hertogenbosch)’s-Hertogenbosch was vanaf 1868 per spoor bereikbaar. Het eerste station van de Noord-Brabantse hoofdstad was zowaar geheel van hout. Lang heeft het niet bestaan, maar een kwart eeuw. Geen groot drama, want wat er voor dit bescheiden gebouw in de plaats kwam, stak zelfs het Centraal Station van Amsterdam naar de kroon.

Het imposante tweede station van ’s-Hertogenbosch werd in het laatste decennium van de negentiende eeuw voltooid en straalde een grandeur uit die een hoofdstad – zij het van een provincie – waard was. De architect heette Eduard Cuypers. Voor de kenners: inderdaad, familie van de grote Pierre Cuypers, ontwerper van het Rijksmuseum en het Centraal Station te Amsterdam. Waar oom Piet de hoofdstad van het land vol zette met zijn gebouwen, mocht neef Ed hetzelfde proberen. Maar dan wel iets zuidelijker, in de provincie.

Dit Bossche station hield het langer uit dan nummer 1. Het bouwwerk van Ed Cuypers zou de Tweede Wereldoorlog, of liever de bevrijding, echter niet overleven. De uitgebrande en deels ingestorte stationsgebouwen kwamen niet in aanmerking om grondig gerestaureerd te worden tijdens de wederopbouw na de oorlog. Dus werd de piepjonge ruïne gesloopt.

Het volgende station, nummer 3, was wel degelijk een weloverwogen werk van architect Sybold van Ravesteyn, maar zo geliefd als zijn voorganger werd het schijnbaar nooit echt. Misschien lag het aan het ontwerp zelf, misschien ook aan de pijnlijke herinnering aan het ‘Grote Station’ dat er nu zo overduidelijk niet meer was. Zo kwam er in de jaren negentig van de vorige eeuw, honderd jaar na de oplevering van Cuypers huzarenstukje, ruimte voor wederom een nieuw Bosch’ station, nummer 4 alweer.

Station nummer 3. (Collectie Stadsarchief 's-Hertogenbosch)

Dat gebouw staat er nu dus nog. Alhoewel, van een gebouw zou ik eerlijk gezegd niet willen spreken. Eerder van een winderige overkapping die naar de perrons leidt. Een echt samenhangend bouwwerk kan ik er als dagelijkse gebruiker nog steeds niet uithalen. Het geeft mij als reiziger vooral de indruk niet zozeer één steekhoudend ontwerp te zijn, maar meer een verzameling bedrijfsruimten, de ene wat geslaagder dan de andere.

Wat station nummer 4 aan architectonische schoonheid ontbeert, wordt met artistieke uitspattingen gecompenseerd. Van het glaskunstwerk dat ’s avonds kleurrijk oplicht, tot de moderne metalen klokkentoren waar de Astense klokkengieterij Eijsbouts een prominente bijdrage aan heeft geleverd.

Het mooiste kunstwerkje is jammer genoeg ook het meest onzichtbaar. Verstopt achter de foeilelijke glazen passagierslift, ingeklemd tussen trappen en de fietsenkelder, prijkt daar op een grauw stuk beton een prachtige regel van de Brabantse dichter Jan van Sleeuwen:

‘Al reizend ervaart men het leven vreemder:
Overal anders en overal eender.’

Puntdicht Jan van Sleeuwen.Een zin die in ieder Nederlands station aanwezig zou moeten zijn. Hopelijk wordt bij de volgende slooppartij, op weg naar het vijfde Bossche station, in ieder geval dit stukje bewaard. Dan laat nummer 4, hoe ongrijpbaar poëzie in feite ook is, tenminste nog één tastbaar pareltje na.

 

 

 

 

 

 

 



reactiesMonument Cultuurhistorie 


Thuis in Brabant
 
Links | Colofon