Streektaal als immaterieel erfgoed

vrijdag 12 oktober 2012 door: Jos Swanenberg

Het Fries, het Limburgs en het Nedersaksisch zijn in Nederland officieel erkend als regionale talen, volgens het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden (Raad van Europa). Het Fries heeft daarbij een hogere status (“volgens deel 2”) dan het Limburgs en het Nedersaksisch (“volgens deel 3”, hetgeen voor die laatste twee betekent: minder rechten en minder of eigenlijk geen subsidie van de nationale overheid). Een belangrijk verschil tussen Fries enerzijds en Limburgs en Nedersaksisch anderzijds is verder dat de eerste een standaardtaal kent, met daarnaast verschillende dialecten, terwijl die andere twee niet bestaan als standaardtaal, er is bijvoorbeeld geen Algemeen Limburgs. Wat men erkend heeft als regionale taal, is dus in feite een grote groep dialecten die binnen een bepaald gebied worden gebruikt. En die gebieden zijn begrensd door staats- en provinciegrenzen; met dialectgrenzen wordt geen rekening gehouden.

daan

Bij het Limburgs betekent dit dat Limburgs in Nederland nu een regionale taal is, maar in België niet (daar doet men niet mee aan deze wetgeving) en dat het dialect van Mook wel tot een regionale taal behoort maar dat van Malden of Cuijk niet. Die dialecten zijn nauw verwant aan het Mooks, maar Cuijk en Malden liggen aan de verkeerde kant van de provinciegrens. Cuijk ligt in Noord-Brabant en hier heeft men nooit geprobeerd de status van regionale taal te verwerven. De reden hiervoor is dat de Nederlandse Taalunie, toen de Limburgers in België vonden dat zij ook een regionale taal spraken, een negatief advies afgegeven heeft aan de Vlaamse overheid. Vervolgens werd ook de aanvraag voor de Zeeuwse dialecten afgewezen door de Nederlandse overheid. Bij de aanvragen van het Fries, het Limburgs en het Nedersaksisch is die Nederlandse Taalunie helemaal niet geconsulteerd, maar sindsdien is het dus nog veel moeilijker geworden om erkend te worden als dialectengroep. In Noord-Brabant is men er vervolgens helemaal niet meer aan toegekomen.

In Vlaanderen voert men nu op een andere wijze beleid op streektalen. De Unesco conventie betreffende de borging van het immaterieel erfgoed, die daar al veel eerder werd geratificeerd dan bij ons, vormt het kader voor dialectbeleid in Vlaanderen. Wellicht biedt dat perspectieven voor dialecten in Nederland die niet erkend zijn als regionale taal. Want er is nu wel een scheve situatie ontstaan in Nederland, niet alleen wat officiële status betreft maar ook wat de ondersteuning die uit beleid volgt, betreft. In haar masterthesis liet Fleur Leijen zien dat de provincies met een regionale taal veel meer geld uittrekken voor streektaalbeleid dan Zeeland en Noord-Brabant. Maar daar gaat het dan in elk geval nog veel beter dan in de provincies in de Randstad, waar van overheidswege helemaal niets wordt gedaan. En je zou toch zeggen dat dialecten in de Randstad veel meer onder druk staan dan in Limburg. Waar het het hardst nodig is, geven we nu dus het minste ondersteuning. Vreemd.

In Zeeland en Noord-Brabant volgen we eigenlijk het Vlaamse voorbeeld, hoewel (nog) niet volgens de Unesco-conventie. Hier wordt streektaal al jarenlang behandeld als onderdeel van cultureel erfgoed en maakt streektaalbeleid integraal deel uit van erfgoedbeleid. Dat werkt prima. Ik zag, om mee af te sluiten, onlangs een nieuwe definitie van cultureel erfgoed  (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek):

“Het cultureel erfgoed is geen erfenis die ons 'overkomt', maar dát wat groepen mensen op persoonlijke, sociaal-maatschappelijk, politieke en economische gronden in het hier en nu als cultureel belangrijk ervaren. Erfgoed is datgene dat bewaard wordt of blijft en daarmee onderdeel wordt van ons individueel en/of collectieve geheugen. Niets wordt als erfgoed geboren, maar is datgene dat door een grotere of kleinere groep waard wordt geacht om te worden overgedragen naar de volgende generatie. Erfgoed geeft (regionale) betekenis en sense of belonging, juist in tijden van globalisering. Bovendien heeft erfgoed aantoonbare meerwaarde in termen van kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Het erfgoed levert een inhoudelijke bijdrage aan de inrichting van de (digitale) publieke ruimte en maakt burgers bewust van pluralisme, autoriteit en authenticiteit. In een veranderende wereld verandert het erfgoed mee. In feite kan het erfgoed in drie perspectieven worden gezien:

1. als reservoir of voorraad (vaak onontgonnen en autonoom) vanuit een terugblik;

2. als reflectie op onze identiteit in het hier en nu;

3. als inspiratiebron voor creativiteit en planvorming, toekomstgericht.”



reactiesStreektaal 


Thuis in Brabant
 
Links | Colofon