Bisschop Ophovius
Bisschop Masius werd in 1615 opgevolgd door Nicolaas Zoesius. Ook hij wilde een eigen seminarie voor het bisdom en al in 1617 was het zover dat dit instituut kon worden geopend. De leerstof was gebaseerd op de voorschriften van het Concilie van Trente. Ook besteedde Zoesius veel aandacht aan de voortgezette vorming en begeleiding van reeds gewijde priesters. Zelf bezocht hij veel parochies, hoewel zijn bewegingsvrijheid na het aflopen van het Twaalfjarig Bestand minder groot was geworden. Hij overleed in 1625 tijdens een bezoek aan Leuven.
De Dominicaan Michael Ophovius volgde hem in 1626 op. Ophovius was in 1570 in Den Bosch geboren en werd na zijn studie in Leuven en Rome prior en later provinciaal van de Dominicanen. Hij had een goede relatie met aartshertogin en landvoogdes Isabella.
Na zijn benoeming tot bisschop trof hij een bisdom aan dat dankzij de inzet van zijn voorgangers een nieuw élan had gekregen. Mistoestanden waren er niet meer. Wel waren de Bommelerwaard en het Land van Heusden en Altena in handen gekomen van de Staten Generaal; deze gebieden waren dan ook overheersend protestant.
De eerste jaren van zijn episcopaat reisde hij ondanks het gevaar om zwervende legerbenden te ontmoeten, regelmatig rond door zijn bisdom. In 1629 werd hem dat onmogelijk gemaakt door de belegering van Frederik Hendrik. Van deze gebeurtenissen maakte hij vanaf augustus van dat jaar een nauwkeurig verslag.
Toen duidelijk werd dat de stad zou worden ingenomen werd Ophovius de belangrijkste onderhandelaar, die met Frederik Hendrik overlegde over het capitulatieverdrag. Zijn belangrijkste doel was enkele concessies te krijgen die de uitoefening van de katholieke godsdienst in de stad zouden mogelijk maken. Frederik Hendrik was op dat punt echter weinig meegaand, hoewel Ophovius wel voor elkaar kreeg dat de stad niet van de ene op de andere dag zonder geestelijken zou komen te zitten. Zo mochten alle vrouwelijke religieuzen blijven, mannelijke priesters moesten de stad binnen twee maanden verlaten tenzij het geboren Bosschenaren waren.
Op 4 oktober verliet hij de stad maar tussen 8 en 20 november keerde hij voor in totaal zes dagen terug om enkele maatregelen te implementeren die de uitoefening van de eredienst moesten veilig stellen. Zo consacreerde hij draagbare altaarstenen en overlegde met kloosters die nog over bruikbare kloosterkapellen beschikten. Op 20 november verliet hij zijn bisschopsstad voorgoed. Hij vestigde zich in 1630 in Geldrop en stierf in 1637 in Lier.
Lees een uitgebreidere biografie van Michael Ophovius op Thuis in Brabant.
