De retorsieperiode

Na de inname van 's-Hertogenbosch werd de stad geconfronteerd met ingrijpende maatregelen die tot doel hadden de uitoefening van de katholieke eredienst onmogelijk te maken.

Alle mannelijke religieuzen moesten de stad binnen twee maanden verlaten, tenzij ze geboren Bosschenaar waren; nonnenkloosters konden blijven maar mochten geen novicen meer aannemen en waren dus tot uitsterven gedoemd. 

In de daaropvolgende jaren werden de maatregelen voortdurend aangescherpt. Priesters kregen het bevel de kerken te ontruimen ten behoeve van gereformeerde predikanten. Dit bevel werd vrijwel nergens opgevolgd en wanneer zich al een predikant liet zien moest hij veelal snel een veilig heenkomen zoeken.

In 1633 werden ze begeleid door de Bossche hoogschout en gewapende ruiters uitgestuurd naar de grote plaatsen in de Meierij maar ook dat leidde zelden tot een langdurig verblijf.

In 1634 werd het priesters verboden om waar dan ook nog missen op te dragen. Twee jaar later moesten de priesters die buiten de Meierij geboren waren, het gebied verlaten.

Na de inname van Breda in 1637 trof de Baronie hetzelfde lot.



Thuis in Brabant
 
Links | Colofon