Verloop van de strijd
De overwinning van Willem van Oranje in de slag bij Heiligerlee van 1568 had geen militaire betekenis. Feitelijk was de prins daar ook niet op uit. Het was de opstandelingen te doen om betere rechten binnen het Spaanse rijk, niet om afscheiding. Bovendien had hij onvoldoende middelen voor een echte oorlog, zeker nadat in 1572 veel Franse Hugenoten waren uitgemoord die hem financieel hadden ondersteund. Alva ging er dan ook vanuit dat hij de opstand snel zou onderdrukken. Maar nadat hij in 1573 en 1574 de belegeringen van Alkmaar en Leiden had moeten opgeven bleek dat hij geen rekening had gehouden met de militaire vaardigheden van de Hollanders die het water inzetten als wapen. In 1575 trokken slecht betaalde Spaanse troepen plunderend door Brabant en Vlaanderen. Als reactie hierop verbonden de Nederlandse gewesten zich in de Pacificatie van Gent tot een eenheid tegen de Spaanse koning. Na enkele jaren speelden echter de godsdienstige tegenstellingen op. In 1579 verbonden katholieken edelen uit de Zuidelijke Nederlanden zich weer met de Spaanse koning in de Unie van Atrecht. Enkele dagen later werd die gevolgd door de Unie van Utrecht waarin de noordelijke gewesten samen gingen tegen Spanje. Deze feitelijke splitsing van de Nederlanden leidden hier en daar tot schermutselingen in de Brabantse steden, zoals het Schermersoproer in Den Bosch. Twee jaar later, in 1581, tekenden de Staten Generaal van de noordelijke gewesten het Plakkaat van Verlatinge waarin men de gehoorzaamheid aan Filips II opzegde. De macht kwam in handen van Willem van Oranje, die echter in 1584 in Delft werd vermoord. Zijn bevoegdheden gingen over naar de Raad van State waarin ook Willems zoon Maurits zitting kreeg. Een Spaanse poging om met een grote vloot, de Armada, de opstand te beëindigen, liep uit op een catastrofe voor de Spanjaarden. In 1588 besloten de Staten Generaal te breken met het aanvankelijke concept waarbij buitenlandse landvoogden een min of meer symbolisch bestuur uitoefenden. Door het land zelf te besturen ontstond de Republiek van de Zeven Verenigde Provinciën. Het gebied van het huidige Noord-Brabant maakte toen nog geen deel uit van deze Republiek.
In de daaropvolgende jaren werd de positie van Maurits steeds belangrijker. Hij streefde een verovering na van de gewesten die nog onder Spaans bestuur stonden. Dat streven had grote gevolgen voor Noord-Brabant dat feitelijk een oorlogszone werd. De steden werden voorzien van soms zeer uitgebreide vestingwerken en wisselden regelmatig van bezetter. De huisvesting van vele soldaten vormden een extra probleem. Het platteland werd onveilig door plunderende benden en raakte ten dele ontvolkt. Behalve langdurige belegeringen waren er ook korte veldslagen zonder noemenswaardig strategisch belang die echter wel in de herinnering zijn blijven doorleven, zoals de Slag van Leckerbeetje.
In 1609 sloten de strijdende partijen tegen de zin van Maurits het Twaalfjarig Bestand. Het noorden en westen van de provincie was en bleef gedurende het bestand in handen van de Republiek, met inbegrip van Breda dat in 1590 met behulp van het turfschip op de Spanjaarden was veroverd; het oosten was min of meer Spaans, met 's-Hertogenbosch als belangrijkste vesting. Dorpen werden weer herbouwd, de economie kwam weer op gang en er was zelfs enigermate sprake van een herstel van het culturele leven. De Republiek kon zich in deze periode economisch voorspoedig ontwikkelen. Na het aflopen van het bestand konden de troepen van de Republiek onder leiding van Frederik Hendrik dan ook in 1629 's-Hertogenbosch veroveren na een langdurig en ingenieus beleg. Breda, dat in 1625 door de Spanjaarden heroverd was, viel in 1637 opnieuw in Staatse handen. Feitelijk had men daardoor de controle over het gebied ten zuiden van de grote rivieren. Bij de Vrede van Münster werd dit grondgebied dan ook toegevoegd aan dat van de Republiek, maar zonder de status van een zelfstandig gewest. Daarmee brak de tijd aan van Staats-Brabant als Generaliteitsland die duurde tot 1794.
