Aanzet tot de Reformatie
De Reformatie heeft belangrijke wortels in zowel de Noordelijke als Zuidelijke Nederlanden. Die wortels vinden we vooral in de beweging van de Moderne Devotie van Geert Grote (1340-1384) en de mede door hem gestichte Broeders des Gemenen Levens. Deze broeders hadden via hun fraterscholen grote invloed op de vorming van de jeugd in de Nederlanden en delen van Duitsland. De Noord-Nederlandse theoloog en arts Wessel Gansfort (1419-1489) sprak zich openlijk uit tegen de aflatenpraktijk van Rome. Ook Erasmus (ca. 1467-1536) heeft met zijn humanistische benadering van het Nieuwe Testament bijgedragen aan een klimaat waarin omwentelingen konden plaatsvinden. Maarten Luther, die in 1517 zijn stellingen in Wittenberg publiek maakte, wortelt voor in deel in deze voorgeschiedenis.
Luthers opvattingen drongen al snel door tot de Nederlanden. Al in 1520 werden tachtig exemplaren van in Antwerpen uitgegeven teksten van Luther in opdracht van de bisschop van Luik in het openbaar verbrand. Een jaar later vond een boekverbranding plaats in Antwerpen waarbij 400 boeken van Luther in het vuur terecht kwamen. Twee Augustijner monniken uit Antwerpen, Hendrik Voes en Johannes van den Esschen werden in 1523 op last van de kerkelijke rechtbank in Brussel ter dood gebracht omdat zij de leer van Luther openlijk uitdroegen. Al deze en nog andere gebeurtenissen geven aan dat kort na 1520 de geest uit de fles was en dat de Reformatie in de Nederlanden begonnen was. In Noord-Brabant zullen nog niet zo veel mensen hiervan toen al iets hebben meegekregen, ook al was een van de twee reformatorische martelaars uit 1523, Hendrik Voes of Vos, een Bosschenaar. In 1526 echter vond in Den Bosch een proces plaats tegen negen mannen en vrouwen met Lutherse ideeën. Omdat ze beloofden deze opvattingen af te zweren werden ze veroordeeld tot matige straffen. Hun Lutherse boeken werden in beslag genomen en verbrand.
