Hertog Hendrik I van Brabant (1165-1235)
Hendrik I was zijn vader Godfried III in 1190 opgevolgd. Zijn ambities om zijn grondgebied in noordelijke richting uit te breiden bracht hem na de verovering van Tiel in conflict met de graven van Holland en Gelre. In zijn territoriale plannen paste ook de ontwikkeling van 's-Hertogenbosch als stad. Hendrik wenste immers aan de noordgrens van het hertogdom een sterke vesting met zowel militaire als economische betekenis. De stad zou uitgroeien tot de vierde stad van het hertogdom, na Leuven, Brussel en Antwerpen. Behalve aan 's-Hertogenbosch verleende hij in of kort na 1230 stadsrechten aan Oisterwijk, Sint-Oedenrode, Eindhoven en Helmond in een bewuste strategie om de verdediging van het hertogdom te verbeteren door sterke posities in de Meierij. Vooral de graaf van Gelre wilde hij door deze ingreep op veilige afstand houden.
Zijn beleid werd na zijn dood in 1235 voortgezet door zijn zoon Hendrik II (1235-1248) en kleinzoon Hendrik III de Vrome (1248-1261). Toen die laatste bij zijn overlijden een minderjarige zoon achterliet, dreigde voor het hertogdom een bestuurlijke crisis.
