Jan I in het ‘Brabantse volkslied’
Het nooit officieel erkende volklied van Noord-Brabant werd
geschreven door Harrie Beex in 1947 en op muziek gezet door Floris
van de Putt. Hertog Jan I is de hoofdpersoon van het lied, maar de
beschreven gebeurtenissen zijn dichterlijke vrijheden. De regels
met 'Harba lorifa' zijn gebaseerd op het welbekende gedicht van Jan
I zelf: Eens meiensmorgens
vroe. Die cryptische regel is overigens zelf een
veelbesproken onderwerp van speculatie. Niemand weet precies hoe
die moet worden verklaard. Eén van de interpretaties is dat lorifa
verwijst naar l'oriflamme, een samentrekking van aurea flamma, vlag
van goud. Het was de naam van het banier van de abdij van
Saint-Denis dat vanaf 1124 door de Franse koningen werd meegevoerd
in veldslagen en dat na de slag van Poitiers in 1356 het officiële
koningsvaandel zou worden. De verwijzing naar de Sint-Jan van Den
Bosch hangt samen met de manshoge stenen beelden op de wimbergen
van de kathedraal.
Toen den Hertog Jan kwam varen
Te peerd parmant al triumfant.
Na zevenhonderd jaren,
Hoe zong men t' allen kant:
Harba lorifa, zong de Hertog,
Harba lorifa.
Na zevenhonderd jaren
In dit edel Brabants land.
Hij kwam van over 't water:
Den Scheldevloed, aan wal te voet,
t' Antwerpen op de straten
Zilver veren op zijn hoed
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa.
t' Antwerpen op de straten,
Lere leerzen aan zien voet.
Och, Turnhout, stedeke schone,
Zijn uw ruitjes groen, maar uw hertjes
koen,
Laat den Hertog binnenkomen
In dit zomers vrolijk seizoen.
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa,
Laat den Hertog binnenkomen,
Hij heeft een peerd van doen.
Hij heeft een peerd gekregen
Een schoon wit peerd, een schimmelpeerd,
Daar is hij opgestegen,
Dien ridder onverveerd.
Harba lorifa, zong den hertog,
Harba lorifa,
Daar is hij opgestegen
En hij reed naar Valkensweerd.
In Valkensweerd daar zaten,
Al in de kast, de zilverkast,
De guldekoning zijn platen,
Die wierden aaneengelast.
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa,
De guldekoning zijn platen,
Toen had hij een harnas.
Rooise boeren, komt naar buiten,
Met de grote trom, met de kleine trom,
Trompetten en cornetten en de fluiten
In dit Brabants hertogdom.
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa,
Trompetten en cornetten
ende fluiten Indit Brabants hertogdom.
Wij reden allemaal samen,
Op Oirschot aan, door een kanidasselaan,
En Jan riep: 'In Gods name!
Hier heb ik meer gestaan.'
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa
En Jan riep 'In Gods name!
Reikt mij mijn standaard aan.'
De standaard was de gouwe,
Die waaide dan, die draaide dan,
Die droeg de leeuw met klauwen
Wij zongen alleman
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa
Die droeg de leeuw met klauwen
Ja de leeuw van Hertog Jan'
Hij is in Den Bosch gekomen,
al in de nacht, en niemand zag't
En op de Sint Jan geklommen
Daar ging hij staan op wacht.'
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa
En op de Sint Jan geklommen
Daar staat hij dag en nacht!'
