
Beeld uit 2001 van Hertog Jan II in Nuenen door Olly van Abbe (1935).

Hertogin Johanna van Brabant (1322-1406)
Na de dood van Jan I in 1294 werd hij opgevolgd door zijn zoon Jan II. Die kreeg vooral te maken met onlusten in de Brabantse steden waar de ambachtslieden hun rechten opeisten. Hoewel Jan II in 1306 nog een overwinning behaalde op de Brusselse ambachtslieden zouden de steden steeds vaker hun macht doen gelden en namen de spanningen tussen enerzijds de steden en anderzijds de machthebbers en het stedelijk patriciaat toe.
Jan III, die zijn vader in 1312 opvolgde, moest in 1314 onder druk van de steden zijn goedkeuring hechten aan de Waalse charters, waardoor de politieke en economische macht van de steden sterk groeide. Deze steden kregen tijdens zijn bestuursperiode dan ook een steeds grotere rol, wat overigens niet altijd ten nadele was van de positie van Brabant.
Jan III werd in 1355 opgevolgd door zijn dochter Johanna die getrouwd was met de hertog van Luxemburg, Wenceslaus I. Kort na het aantreden van Johanna en Wenceslaus moesten zij onder druk van de Brabantse steden de Blijde Incomste onderschrijven, een oorkonde waarin hun verplichtingen waren vastgelegd. Het niet nakomen daarvan zou hun onderdanen ontslaan van de verplichting hen trouw te blijven. In deze overeenkomsten werd ook opgenomen dat geen vreemdelingen in het bestuur mochten worden toegelaten en de steden kregen een zware stem in belangrijke besluiten.