Dorpen rond 500
Uitgangspunt voor de dorpen langs de grote rivieren zijn de rivierafzettingen en oeverwallen die daar na de Romeinse tijd ontstonden.
Op sommige plaatsen in dit landschappen lagen verhoogde zandplaten, in Brabant meestal donken genaamd.
Het lager gelegen terrein was drassig en op veel plaatsen zelfs moerassig met hier en daar bebossing.
Op de oeverwallen zullen zich vanaf de Merovingische tijd op enkele plaatsen weer mensen hebben gevestigd. Het betrof dan geïsoleerde boerderijen, die nog geen echt dorp vormden.
Door met de cursor over de afbeelding te gaan, zijn de aanduidingen van de verschillende locaties te zien.
Ga naar 'Dorpen ca. 1200' om naar de volgende fase in de ontwikkeling te gaan.

