
Schijf op de topografische kaart van omstreeks 1905.

West-Brabant
De ontginning van de verspreid liggende veengebieden in West-Brabant begon al vroeg in de middeleeuwen. Hoewel rond 1400 het meeste veen was verdwenen, lagen er ook bij het begin van de moderne tijd hier en daar nog steeds enkele kleine, niet ontgonnen stukken veengebied. Enkele dorpen in dit gebied ontstonden op hoge zandruggen, waardoor de ontwikkelingsgeschiedenis vaak anders verliep dan bij dorpen die op de ontgonnen veenbodem zelf werden gesticht.
Wel een 'echt' veendorp is Rucphen. Het ontstond waarschijnlijk in de 13de eeuw midden in een deels ontgonnen gebied. Op de topografische kaart van omstreeks 1840 zien we hoe het dorp wordt omgeven door een groot aantal min of meer vierkante kavels die als akkers in gebruik waren. Deze kavels danken hun vorm aan de middeleeuwse veenconcessies die in de vorm van vierkante stukken grond werden uitgegeven. Ten noorden en ten zuiden van de landbouwgronden zien we heiden en moerassen, restanten van het verdwenen veengebied. Op enkele plaatsen zijn ook de de overblijfselen te zien van oude turfvaarten en van rechte wegen die naar de voormalige veengrond leidden.
Van een rationele verkaveling in het voormalige veengebied uit meer recente tijd vinden we onder meer een voorbeeld op de topografische kaart van 1905. Het is het gebied onder Schijf waar in het begin van de 20ste eeuw de restanten van oude turfvaarten geleidelijk aan verdwenen onder strakke, vierkante kavels landbouwgrond. De exploitatie van deze gronden was mogelijk geworden door het gebruik van kunstmest.