Dorpen 100 v. Chr.
Centraal in het landschap kronkelt een beek in noordwestelijke richting. De grond aan weerszijden van de beek - broekgrond - is nat tot drassig (groen). De stukken broekgrond die het dichtste bij de beek liggen zijn begroeid met dichte broekbossen, voornamelijk elzen.
Wat verder van de beek af gaat de bodem geleidelijk aan over in hoger gelegen zandgrond (geel). Een deel van deze zandgronden is begroeid met bossen, meest eiken en berken. Tijdens de ijzertijd (ca 700 voor Christus - ca 100 na Christus) is hier een stuk grond vrijgekapt om plaats te bieden aan een dorpje met langwerpige boerderijen. De prehistorische boeren kozen al voor een vestigingsplaats tussen enerzijds de natte beekdalen en anderzijds de heidevelden.
Nog iets verder van de beek, en nog iets hoger, ligt de heidegrond. Op deze voor akkerbouw toentertijd ongeschikte grond hebben de bewoners van het prehistorische dorpje een urnenveld met grafheuvels aangelegd. Op een aantal plaatsen in Brabant is zo'n urnenveld gereconstrueerd.
Door met de cursor over de afbeelding te gaan, zijn de aanduidingen van de verschillende locaties te zien.
Ga naar 'Dorpen ca. 1000' om naar de volgende fase in de ontwikkeling te gaan.

