Het Brabantse gemengde bedrijf

De agrarische bedrijfsvoering op de Brabantse zandgronden was die van het gemengde bedrijf. Dat was al zo in de Romeinse tijd en dat was ook nog zo tot ver in de 20ste eeuw, totdat de gespecialiseerde agrarische bedrijven, vooral de intensieve veehouderij, daaraan een einde maakte.

Het gemengde bedrijf ontstond omdat de boeren op korte afstand van elkaar konden beschikken over grondsoorten met totaal verschillende eigenschappen

  • In de eerste plaats de beemdgronden in de beekdalen, graslanden die uitermate geschikt waren voor de productie van hooi. Gras en hooi waren onmisbaar voor het voeden van het vee, met name runderen. Runderen werden in de eerste plaats gehouden vanwege de mest die zij produceerden. Daarmee kon de arme zandgrond jaarlijks worden bemest zodat er voldoende op kon worden geproduceerd. Zonder mest was dat niet mogelijk. Behalve mest leverden de runderen leer, huiden en vlees, eveneens onmisbaar in de agrarische samenleving van toen.
  • De akkers leverden vooral graanproducten zoals tarwe, rogge en boekweit. De opbrengst was vaak karig, door de grote afhankelijkheid van mest en de omstandigheid dat daarvan niet altijd voldoende aanwezig was. Kunstmest kwam pas nĂ¡ 1870 in gebruik. Wel gebruikte men soms afvalstoffen uit de steden zoals haardas en straatvuil als een vorm van extra mest. Het systeem van akkerbouw noemen we het drieslagstelsel. In het eerste jaar verbouwde men wintergraan (tarwe of rogge), in het tweede jaar zomergraag (gerst of haver) en het derde jaar lag de akker braak of werd gebruikt voor de teelt van gras en klaver. Grassen en klaver dienden als veevoer. Men kon het telen op grond die tot rust moest komen omdat zij hun voedingsstoffen ook uit de lucht en in mindere mate uit de bodem halen. Bovendien mestte men bij door het strooien van turfas. 
  • De heiden leverden de plaggen die gebruikt werden om te vermengen met mest. Maar de heiden deden meer. Daar graasden de schapen die wol, vlees en huiden leverden. Op de heiden stonden ook de bijenkorven. De bijen leverden honing, lange tijd de enige zoetstof die voorhanden was.

Beemden, akkergronden en heiden waren alle drie noodzakelijk om de landbouw op de Brabantse zandgronden tot een succes te maken, maar het was een broos evenwicht. Ziekte onder het vee, onvoldoende hooi of andere externe oorzaken konden dit evenwicht gemakkelijk verstoren en dikwijls betekende dat honger en armoede.

Op landschapschilderijen die rond 1600 door Zuid-Nederlandse schilders werden gemaakt zien we vaak deze drie bodemtypen en de daarbij passende werkzaamheden bij elkaar. Het hier afgebeelde schilderij van David Teniers de jr. in het Noordbrabants Museum is daarvan een voorbeeld. Door met de cursor over het schilderij te gaan worden de verschillen aangeduid.



Thuis in Brabant
 
Links | Colofon