De potstal

Om geen mest verloren te laten gaan werden de runderen zoveel mogelijk, ook in de zomer, op stal gehouden en zelfs daar gevoederd. Soms werden runderen dagelijks een keer meegenomen naar een weiland om daar te grazen, maar tegen de avond werden de dieren weer naar de stal teruggebracht. We zien dat op een schilderij door Frans Slager uit 1922.

Voor het bewaren van de mest hadden de boerderijen op de zandgronden een potstal. Daarin lagen de stalvloeren ongeveer 75 cm dieper dan de daarachter liggende dorsvloer. Als de stal was uitgemest, stond het vee in die 'kuil' en kwam het in zijn eigen mest te gaan. Dagelijks strooide de boer wat strooisel op de mest om die droog te houden. Dat strooisel bestond uit stro, heideplaggen, zand en droge bladeren.

Na verloop van tijd bereikte de mest het niveau van de dorsvloer. Dan werd de potstal uitgemest. De mest werd in de ruime achterstallen op een hoop gegooid en van tijd tot tijd met gier overgoten. Wanneer het goede moment daarvoor was aangebroken werd de stevig ingekoekte mest losgetrokken met een mesthaak, op een kar geladen en over het land verspreid

Doordat de mest vermengd met plaggen en andere materialen op het land werd gebracht, werden akkers in de loop van de eeuwen iets hoger dan de omgeving. Weliswaar verwaaide een deel van het opgebrachte materiaal, maar vooral in het midden van de akker bleef altijd wat liggen.

Dat leidde tot het ontstaan van de bolle akkers die we veel zien aan de grens van oude Brabantse dorpen. De kromming is het beste te zien in de winter, vooral wanneer voren getrokken zijn of de akker met kleine gewassen is beplant, zoals op de hier afgebeelde akker met struikjes in de omgeving van Hilvarenbeek. De struikjes volgen prachtig de gebogen lijn van de akker.




Thuis in Brabant
 
Links | Colofon