Nederzettingen uit de bronstijd
Tijdens de bronstijd waren er nederzettingen op vele plaatsen in Brabant. De mensen die daar woonden werden aangetrokken door de riviertjes die rijk aan vis waren en door het wild dat op de broekgronden leefde.
Op de hoger gelegen zandgronden werden bossen gekapt om bouwland te krijgen. Na enkele jaren was zo'n akkertje uitgeput en werd een nieuw stuk bouwland gekozen. Het gevolg daarvan was dat de dichte bebossing in Noord-Brabant geleidelijk aan verdween.
De braakliggende, uitgeputte akkers, werden namelijk begraasd door schapen waardoor de jonge houtopslag geen kans kreeg tot een nieuw bos uit te groeien. Die schapen hadden voor de toenmalige bewoners van Brabant grote economische betekenis als leveranciers van vlees, huiden, melk en wol.
Maar ook de heide die dankzij het aandeel van de schapen steeds omvangrijker werd, was van belang. Vooral vanwege de bijen die de producenten waren van honing (de enige zoetstof) en was, nodig voor verlichting en het onderhoud van diverse materialen.
