Wonen in de late ijzertijd
Na ca. 250 vóór Christus, in de late ijzertijd, nam de bevolking toe. Hoewel grote delen van het huidige Noord-Brabant nog uit woeste gronden bestonden, woonden overal verspreid over het gebied mensen in kleine gehuchten. Ze leefden van landbouw en veeteelt. Er kwamen naast elkaar verschillende typen boerderijen toe. Sommige daarvan zijn betrekkelijk groot in vergelijking met die uit de middenijzertijd. In Oss werd een boerderij opgegraven van 20 meter lengte en een breedte van 5 meter. Ongeveer in het midden bevond zich een verbindingsgang tussen twee deuropeningen in de lange zijden. Of die gang ook de verdeling tussen stal- en woonruimte aangaf, valt in dit geval niet meer na te gaan.
Naast dit type lange boerderijen kwam ook een kleiner type voor, met maten van ca. 11 bij 5 meter. De wanden van deze huizen zijn in een diepe greppel geplaatst. Daaraan ontlenen ze de naam wandgreppelhuis. Het verschijnen van dit type wordt wel eens in verband gebracht met de komst van de Bataven, een Germaans volk dat tegen het einde van de ijzertijd de Rijn zou zijn overgestoken en zich vermengd had met de lokale, Keltische bevolking. Onomstootbare bewijzen voor die samenhang zijn er echter niet.
