
Theodoor van Thulden (1606-1669). Allegorische voorstelling van het verzoek van de Brabantse steden om vertegenwoordiging in de regering van De Republiek. Olieverf op doek, 245 x 305 cm. 1650. 's-Hertogenbosch, Stadhuis.

De status van gewest
Al na de inname van 's-Hertogenbosch probeerde het daar zittende nieuwe stadsbestuur om Brabant een onderdeel te maken van de Republiek. Dat mislukte vanwege de onderlinge verdeeldheid tussen de Brabantse steden en de tegenwerking van de Staten-Generaal.
Al tijdens de onderhandelingen over de vrede in 1647 en ook ná de Vrede van Münster werden opnieuw pogingen gedaan. Ook toen speelde de interne verdeeldheid op. Met name de in rechte herstelde katholieke markiezin van Bergen op Zoom vreesde een verdere onderdrukking van katholieken en haakte af.
Verder was er tegenwerking vanuit de zeven provinciën. Vooral Holland voelde niets voor nog een extra gewest. Het zou de stemmenverhoudingen kunnen verstoren, men was bang voor economische concurrentie en zo had men nog wat andere argumenten.
Voor de uiteindelijke afwijzing van het verzoek van Brabant om als een zelfstandig gewest opgenomen te worden werd het argument aangehaald dat dit gebied niet uit eigen wil voor de Republiek had gekozen, maar gewapenderhand veroverd was op de vijand. Aan zo'n voorgeschiedenis mochten, zo stelde men, geen rechten worden ontleend.
Zo werd Noord-Brabant Generaliteitsland. Dit betekende dat het gebied direct bestuurd werd door de Staten-Generaal en dat men geen stem had in het landsbestuur.
De economische ontwikkeling van dit Generaliteitsgebied liep tot in de 18de eeuw niet gunstig. Weliswaar kon men enigermate profiteren van de bloeiende Hollandse economie van de Gouden Eeuw, maar ingewikkelde en vaak ook stijgende belastingen hielpen niet mee om de positieve impulsen te verzilveren.
Bovendien ging Brabant al snel lijden onder de oorlogen met Frankrijk dat uit was op een aanzienlijke gebiedsuitbreiding, zo niet de macht in een groot deel van Europa.