Kunst ca. 1900 - ca. 1950

Na 1900 raakte Brabant in een cultureel el artistiek isolement. Dat wil niet zeggen dat hier geen schilders van goede kwaliteit werkten, maar echt aan de weg timmeren was er niet meer bij. Wie op dat punt ambities had vertrok naar elders, niet zozeer omdat Brabant hen te weinig te bieden had, maar omdat de grote stedelijke centra elders juist een grote aantrekkingskracht op hen uitoefenden. 

In de eerste jaren van de 20ste eeuw bleef de omgeving van Heeze kunstenaars aantrekken, aanvankelijk vooral kunstenaars die in het voetspoor traden van de schilders van de Haagse School, later ook meer expressionistisch werkende kunstenaars. Hun invloed op de Brabantse ontwikkelingen was echter maar betrekkelijk.

In Den Bosch gebeurde niet veel. De Koninklijke School was niet meer de drijvende kracht die het in de 19de eeuw bij tijd en wijle wel was geweest. Pas vanaf ongeveer 1920, na het aantreden van Huib Luns als directeur, leefde deze opleiding weer op. Kunstenaars uit de familie Slager drukten hun stempel op de Bossche schilderkunst, maar de kwaliteit van het werk van de nazaten van P.M. Slager en hun directe omgeving wisselde. 

In 1912 werden in Den Bosch de Rooms-Katholieke Leergangen gesticht, bedoeld voor het opleiden van leraren, onder meer in het tekenonderwijs. Het onderwijs voor het beroep van tekenleraar stond onder leiding van Jan van Delft en was van hoge kwaliteit, mede doordat goede docenten werden aangetrokken en doordat veel aandacht werd gegeven aan kunstgeschiedenis, toen onderricht door dr. Xavier Smits, de conservator van het Bisschoppelijk Museum. De opleiding zou zes jaar later naar Tilburg worden verplaatst. Het is de voorganger van het later befaamd geworden Moller-Instituut.

Belangrijk waren enkele schilders die min of meer los van alles als individuen een interessante persoonlijke ontwikkeling doormaakten en daardoor kleur gaven aan het artistieke landschap. Meestal gebeurde dat overigens na een opleiding aan een academie elders, meestal in Amsterdam.

In 1936 werd het Van Abbemuseum in Eindhoven opgericht door Henri van Abbe (1880-1940). De basis van dit museum vormde zijn collectie met werk van eigentijdse kunstenaars onder wie veel schilders die in Brabant geboren waren of werkten.

Na de Tweede Wereldorlog zou de rol van het Van Abbemuseum in de ontwikkeling van de kunst in Brabant worden voortgezet. We spreken vanaf deze tijd liever niet meer van Brabantse kunstenaars. Een van de kenmerken van de na-oorlogse ontwikkeling was nu juist dat provinciale grenzen vervaagden. Niet Brabanders werkten voor korte of langere tijd in Brabant, deden daar indrukken op en werkten inspirerend op anderen. Brabanders gingen permanent of voor langere tijd naar elders, al dan niet beladen met hun 'Brabantse' ervaringen. Internationale ontwikkelingen speelden een veel belangrijkere rol dan die op het nationale, laat staan provinciale vlak. Ook de toename, na 1980, van musea, galerie├źn en andere initiatieven op het gebied van hedendaagse kunst, speelden een belangrijke rol in dit alles. We noemen daarbij met name Museum het Kruithuis in Den Bosch (later het Stedelijk Museum 's-Hertogenbosch), de Beyerd in Breda, het Gemeentemuseum in Helmond en de Pont in Tilburg.



Thuis in Brabant
 
Links | Colofon