's-Hertogenbosch tot ca. 1950
In 1912 overleed Piet Slager sr. Vier van zijn kinderen zouden ook als schilder naam maken: Piet jr., Frans, Jeanette en Corry, die geen vernieuwers waren maar wel degelijk werk afleverden. Hun werk kenmerkt de Bossche ontwikkelingen in de eerste decennia van de 20ste eeuw waarin weinig aansluiting werd gezocht bij wat zich toentertijd internationaal op artistiek terrein afspeelde.
Jan Bogaerts was een leerling van de koninklijke school en volgde lessen bij van Welie. Hij werd beïnvloed door diens symbolisme. Bogaerts vertrok al jong uit Den Bosch.
De Koninklijke School had in het laatste kwart van de 19de eeuw zijn sturende rol in het Brabantse en Bossche kunstleven verloren. Het lesprogramma ontwikkelde zich hoegenaamd niet en de begeleiding van de studenten was zodanig dat slechts weinigen er in slaagden om af te studeren binnen de vijf jaren die daarvoor stonden. Wie talent had zocht zijn heil elders en de financiële middelen werden niet besteed aan de noodzakelijke vernieuwing. In 1918 werd de opleiding opnieuw ingericht waarbij vier vakopleidingen werden samengevoegd. De school kreeg een nieuwe naam: Koninklijke School voor Kunst, Techniek en Ambacht. De leiding hiervan kwam in handen van de schilder Huib Luns.
Huib Luns was niet aalleen een groot inspirator van zijn docenten en leerlingen, maar organiseerde ook exposities die een stimulerende rol hadden in het Bossche kunstleven. Na zijn benoeming tot directeur van de Rijksnormaalschool voor Tekenonderwijs in Amsterdam werd hij opgevolgd door H. Damerau, geen kunstenaar. De leiding van de kunstafdeling en de afdeling beeldhouwkunst kwam in handen van André Verhorst en August Falise. Onder hun leiding groeide de betekenis van de Koniklijke School als kunstopleiding.
Herman Moerkerk was een fenomenaal tekenaar die met snelle schetsen het Bossche leven wist vast te leggen. Zijn in impressionistische stijl gemaakte schilderijen zijn niet onaardig maar blijven in kwaliteit achter bij zijn pentekeningen.
