Herleving van de Brabantse kunst
Dankzij met name de inzet van de gebroeders Gérard en Cornelis van Spaendonk, die zelf ook hun opleiding in het buitenland hadden genoten, konden enkele getalenteerde Brabanders in Frankrijk hun opleiding tot schilder krijgen of voortzetten. Dat betreft schilders uit de familie Knip en Pieter Rudolph Kleyn.
Enkele andere schilders, zoals Adriaen de Lelie, Hendrik Turken en Jacobus Cornelis Huysmans, wisten zelf hun weg naar een hoogstaande opleiding te vinden.
Omdat de meeste van deze schilders zich metterwoon in Brabant vestigden legden zij de basis voor de 19de-eeuwse artistieke ontwikkelingen.
Een belangrijke bijdrage leverde ook Lodewijk Napoleon die het fenomeen 'Tentoonstellingen van Levende Meesters' introduceerde. De eerste van deze exposities waren te zien in Amsterdam en Den Haag. Aan de eerste expositie in Amsterdam in 1808 namen ook enkele Brabantse schilders deel: Adriaen de Lelie, Josephus Augustus Knip, Henriëtta Geertruij Knip en Jacobus Cornelis Huysmans. In Den Bosch was de eerste expositie van levende meesters in 1828 te zien.
