Veengronden
Het stijgen van de zeespiegel na de laatste ijstijd had grote gevolgen. Het land waterde steeds slechter af en in lager gelegen gebieden ontstonden moerassen waarin zich veen vormde.
Grote delen van Noord- en West-Nederland werden toen bedekt met een laag 'basisveen'. Rond 500 na Christus strekte dit veen zich ook uit naar het noordwesten van Brabant.
Ook in de rivierdalen ontstond veen, niet alleen in het brede Maasdal, maar bijvoorbeeld ook in het dal van de Donge ten noorden van Tilburg en in allerlei natuurlijke laagten in het landschap, en natuurlijk in de moerassen direct ten zuiden van de stuifzandrug.
In een groot deel van het westen van de provincie ontstond hoogveen of laagveen. Al in de Romeinse tijd was de ontginning hiervan begonnen. Pas na 900 nam deze activiteit sterk toe. Daarbij was het niet alleen te doen om het veen, maar ook om het darinkdelven: het onttrekken van het zout dat de zee tijdens talloze overstromingen in het veen had achtergelaten.
Het kaartje laat zien hoe de vervening van Brabant verliep tussen ca. 5500 en 500 vóór Christus. De bruine kleur duidt de veengronden aan.

