De oeros bij Julius Caesar

Een oude beschrijving van de oeros lezen we in de 'Gallische Oorlog' van Julius Caesar. Hij beschrijft de dieren in het hoofdstuk over het Hercynische woud (Boek VI, 28), dat gelokaliseerd wordt in het gebied van de Bovenrijn: De oerossen zijn iets kleiner dan olifanten en hebben de vorm, de kleur en de aard van een stier. Groot is hun kracht en hun snelheid: zij ontzien mens noch dier wanneer zij die tegenkomen. Ze worden behoedzaam gevangen in kuilen en daarna afgemaakt. Jongelui harden zich bij deze bezigheid en oefenen zich in die vorm van jacht. Wie onder hen veel dieren heeft gedood, vertoont als bewijs daarvan, de hoornen in het openbaar en oogst daarmee grote roem.

Ze aan mensen wennen en temmen kan men niet, zelfs niet wanneer ze op jonge leeftijd worden gevangen. De grootte, aard en vorm van de hoornen verschillen veel van de runderen bij ons. Men verzamelt ze zorgvuldig, beslaat de rand met zilver en gebruikt ze bij uitbundige feesten als drinkbekers.




Thuis in Brabant
 
Links | Colofon