Industrie

Brabant was zeer lang het terrein van de huisindustrie. Mensen werkten voor 'fabriceurs' die de producten kochten die ze in hun kleine huisjes maakten. Het betreft vooral textielnijverheid. De wevers gingen hun grondstoffen halen bij de fabriek en leverden daar de geweven stukken weer af. Daarnaast waren en vele, meest erg kleine fabriekjes. Daarvan had omstreeks 1850 94% minder dan 25 arbeiders in dienst. In de 381 leerlooierijen die Brabant in 1857 telde, werkten 870 mensen, gemiddeld dus nog geen drie per bedrijf.

Vanaf ongeveer 1870 werd de huisnijverheid geleidelijk aan verdrongen door de fabrieksmatige weverij. Technologische ontwikkelingen maakten een grotere productie mogelijk wanneer die geheel in de fabriek zelf plaats vond, zeker toen de betere transportmogelijkheden de aanvoer van kolen vergemakkelijkte. Volgens de volkstelling van 1859 werkten toentertijd 26% van alle mannen in de landbouw, 25% vond werk in de industrie. Hoewel we deze cijfers niet te exact mogen nemen, geven ze wel aan dat Brabant een nieuwe fase was ingegaan.

Het beste is deze ontwikkeling te volgen in Tilburg, dat in de tweede helft van de 19de eeuw de grootste stad van Brabant werd. De wollenstoffenindustrie was de drijvende kracht achter die ontwikkeling.

Andere vormen van industrie in Brabant waren de leerlooierijen en schoenfabrieken, de brouwerijen, de sigarenfabrieken, de suikerindustrie en de boterfabrieken. Uit 1887 verplaatsten Nathan en Arnold van Zwanenberg hun veehandel en varkensslagerij van Heeesch naar Oss waar de spoorweg goede exportmogelijkheden bood om uit te groeien tot een internationaal bedrijf. In 1891 richtten vader en zoon Philips te Eindhoven de firma Philips & Co op, die kooldraadgloeilampen "en andere elektrotechnische artikelen" ging maken.



Thuis in Brabant
 
Links | Colofon