Leer- en schoenenindustrie

De leerlooierij was in Brabant ontstaan dankzij de omstandigheden dat met name het noorden van de provincie een groot aanbod had aan leer, terwijl de Brabantse zandgronden beschikten over grote hoeveelheden eikenhout dat nodig was om de looistof run van te maken. Bovendien was er dankzij de beken voldoende water om in kuipen te kunnen looien. In het begin van de 20ste eeuw lag 60 procent van alle Nederlandse leerlooierijen in Noord-Brabant; er werkten ongeveer 1600 arbeiders. De omstandigheid dat arbeid in Noord-Brabant goedkoper was dan elders en dat veel boeren op hun kleine bedrijven te weinig verdienden om van te leven, zal deze ontwikkeling ook nog wel bevorderd hebben.

Het ligt voor de hand dat de leerindustrie gevolgd werd door schoenmakerijen. Ook dit beroep was lange tijd een vorm van huisnijverheid. Rond 1850 kwam hierin geleidelijk verandering. De geleidelijkheid bestond onder meer hierin dat fabrieken halffabrikaten afleverden bij thuiswerkers. Die maakten de schoenen af en leverden ze weer terug aan de fabriek.

De mechanisatie van deze bedrijfstak raakte in een versnelling door opdrachten van de overheid, met name het Nederlandse leger. Om aan die grote vraag te kunnen voldoen was de overstap naar door stoomkracht aangedreven machines onontkoombaar. Rond 1890 was deze overgang in de meeste schoenfabriekjes een feit. 

De schoenmakerijen lagen verspreid over de hele provincie Noord-Brabant maar met een duidelijke concentratie in de Langstraat en de directe omgeving, zoals Dongen en Tilburg. De ook internationaal bekende schoenfabriek van Van Bommel is sedert 1734 in Moergestel gevestigd.




Thuis in Brabant
 
Links | Colofon