Textielindustrie
Vanaf de middeleeuwen was de textielnijverheid in vrijwel heel Noord-Brabant present. In de 18de eeuw nam die bedrijvigheid toe door tussenkomst van de fabrikeurs. Deze fabrikeurs leverden grondstoffen en halffabrikaten aan de werkers in de thuisnijverheid en namen de geheel of gedeeltelijk voltooide producten weer of om deze elders te laten afmaken of ze naar de markt te brengen. Fabrikeurs zijn de voorlopers van de fabrikanten. Het grote verschil is dat zij nog niet beschikten over eigen fabrieksruimten en alle arbeid elders lieten uitvoeren. Fabrikeurs maakten al in de middeleeuwen deel uit van het economisch systeem achter de textielnijverheid. Ze werden toen onder meer drapiers genoemd.
De activiteiten van de fabrikeurs in Brabant namen in de 18de eeuw toe. In de eerste plaats omdat er veel vraag was naar textielproducten vanuit Holland, in de tweede plaats omdat de arbeid in het toenmalige Staats-Brabant goedkoper was dan elders in de Republiek. Bovendien was er een al eeuwenoude overal aanwezige huisnijverheid van een gedegen kwaliteit.
Tegen het einde van de 18de eeuw zien we een geleidelijke concentratie van de activiteiten van de fabrikeurs rond Tilburg, Helmond, Eindhoven en Geldrop. Dat heeft ten dele te maken met de omstandigheid dat steden als Leiden en Haarlem een al eeuwenoude relatie hadden met respectievelijk Tilburg en Haarlem ten aanzien van zowel de in- als uitvoer van grondstoffen en producten, inclusief vrijstellingen van in- en uitvoerrechten. Verder hield het waarschijnlijk ook verband met het feit dat deze steden geen vestingsteden meer waren en daardoor meer mogelijkheden boden voor eventuele uitbreiding met fabrieken. In ieder geval blijkt uit alles dat de fabrikeurs steeds na 1780 vaker aanstuurden op de bouw van fabrieken. In Tilburg gebeurde dat in 1783, de andere steden volgende in de daaropvolgende decennia. Door die bouw van fabrieken verdichtte de textielbedrijvigheid zich nog meer dan voorheen. De relatie met Holland veranderde daardoor ook, voor zover die in de 18de eeuw al niet om andere redenen gewijzigd of zelfs verdwenen was. De totale productie werd nu een zaak van de 'textielsteden' zelf, in de steden en in dorpen in de omgeving bleven de thuiswerkers actief als toeleveranciers.
Na ca. 1820 werden de eerste stoommachine's geplaatst. Daardoor gingen de ontwikkelingen een geheel nieuwe richting in, die zou leiden tot een geleidelijke afbouw van de thuisarbeid tegen het einde van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw.
Er was sprake van een zekere specialisatie in de verschillende steden. Tilburg was de stad van de wollenstoffenfabrieken, Helmond specialiseerde zich in linnenweverijen, bontweverijen en katoendrukkerijen. De ontsluiting van de stad door de aanleg van de Zuidwillemsvaart kwam de ontwikkeling als industriestad zeer ten goede. In Eindhoven en Geldrop was iets minder sprake van specialisatie.
