
Gevelbord 'Station Halfweg'. Afkomstig van een café op de route Grave-Mill. Deze spoorverbinding werd in 1895 opgeheven. Hout, 35 x 110 cm. 's-Hertogenbosch, Noordbrabants Museum.

Infrastructuur
Een van de belangrijkste ontwikkelingen was de ontsluiting van Noord-Brabant via het spoor. Dat de aanleg van spoorwegen in Nederland pas laat goed op gang kwam hield verband met het uitstekende net van verbindingen over water.
In 1854 werd de verbinding van Antwerpen naar Roosendaal en de aftakking van Roosendaal naar Etten in gebruik genomen door de Société Anonyme des chemins de fer d'Anvers à Rotterdam. Het was een begin van een spoorweg tussen de havensteden Antwerpen en Rotterdam. Vanaf 1860 was de aanleg van spoorwegen vooral een staatsaangelegenheid geworden. In de daaropvolgende twintig jaar kwamen de belangrijkste ook nu nog aanwezige spoorwegverbindingen tot stand. Een mijlpaal was de voltooiing, in 1872, van de 1400 meter lange spoorbrug over de Moerdijk.
Het spoorwegnet verdichtte zich nà 1880 door de aanleg van buurtspoorwegen en tramwegen. De eerste stoomtram ging in 1880 rijden tussen Breda en Oosterhout, een jaar later werden Geertruidenberg en Dongen verbonden. Tussen 1880 en 1920 werd ongeveer 400 kilometer tramweg aangelegd.
De komt van spoor- en tramwegen had een remmend effect op de aanleg van het gewone wegennet. Pas na de afschaffing van de tollen in 1872 wonnen die aan populariteit. Het eerste fietspad van Nederland werd aangelegd in 1902 tussen Tilburg en Breda.