Katholieke emancipatie
Al vanaf het begin van de 19de eeuw drongen katholieken aan op een normalisering van het kerkelijk bestuur in Nederland. Dat betekende dat Nederland niet langer beschouwd zou worden als missiegebied, en eigen bisdommen met bisschoppen kreeg. Voor het zover was werd een niet altijd even frisse controverse gevoerd tussen voor- en tegenstanders van deze ontwikkeling. Strikt genomen had de paus, na afschaffing van het Recht van Placet, alle vrijheid om te handelen zoals hem het beste leek, maar de formulering van zijn keuze was grievend voor de Calvinistische Nederlanders, die zich vervolgens ook niet onbetuigd lieten. Zo ontstond de protestantse April-beweging die zich verzette tegen de terugkeer van de bisschoppen en het conflict zo hoog speelde dat het kabinet Thorbecke er zelfs door aan zijn eind kwam. Deze gebeurtenissen konden de ontwikkelingen echter niet tegenhouden en in 1853 werd de bisschoppelijk hiërarchie in Nederland hersteld. Joannes Zwijsen werd benoemd tot aartsbisschop van Nederland en bisschop van 's-Hertogenbosch.
Het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie gaf een grote stimulans aan de ontwikkeling van de katholieke kerk in Nederland. De zichtbare herinneringen daaraan zijn de vele - meest neogotische - kerkgebouwen die zowel in steden als dorpen werden gebouwd en het ontstaan van productiecentra van kerkelijke kunst. Belangrijker wellicht waren de vele stichtingen van door zusters en fraters gedreven maatschappelijke instellingen op het gebied van onderwijs, zieken- en bejaardenzorg enzovoort. Ze doordrongen in Noord-Brabant het hele maatschappelijke leven en droegen bij aan het ontstaan van het 'Rijke Roomsche Leven' dat de katholieke mentaliteit in de eerste decennia van de 20ste eeuw bepaalde.
