Landbouw
De ontwikkelingen op het gebied van de landbouw verliepen in Noord-Brabant moeizaam. Eén van de problemen was de heffing van tienden oppas ontgonnen woeste gronden. Weliswaar werden die belastingen in 1823 en 1840 opgeheven, maar dat betrof alleen de overheid. Particuliere grondbezitters maakten vooralsnog geen enkele haast deze lucratieve inkomstenbron op te geven. Pas in 1907 zou er een regeling komen die ook voor de boeren gunstig was.
De inkomsten van de Brabantse boeren bleven achter bij die van boeren in veel andere delen van Nederland en dat gold ook voor de dagloners die bij de boerenbedrijven werkten.
Een positieve ontwikkeling was de overgang naar de zogenaamde Vlaamse bouw waarbij de cyclus van gewassen van voorheen drie jaar werd vervangen door een cyclus van zes jaar. In dit systeem was het vee niet alleen inzetbaar voor de productie van mest. maar ook voor andere producten wat een hoger inkomen opleverde. Dat loonde zich vooral toen vanaf ca. 1870 de prijzen voor graan een dalende lijn vertoonden.
Er was in deze periode ook een verandering in de gewassen die door de Brabantse boeren werden verbouwd. Zo kwam er een einde aan de teelt van koolzaad dat lange tijd gebruikt was als olie voor de verlichting. Die rol werd overgenomen door petroleum en gas. Ook de meekrapteelt, die vooral in West-Brabant belangrijk was, kwam zo goed als tot een einde. Meekrap werd gebruik als kleurstof in de textielindustrie. De opkomst van synthetische verfstoffen maakte dit produkt overbodig.
Een nieuw gewas was de suikerbiet. Het verbouwen hiervan was lucratief geworden in de Franse tijd toen de invoer van rietsuiker door de handelsbeperkingen van Napoleon sterk was afgenomen. Vanaf 1858 zou het verbouwen van suikerbieten vooral op de West-Brabantse kleigronden van grote betekenis worden. In 1906 waren er in Nederland achtentwintig suikerfabrieken. Daarvan waren er zeventien in Brabant gevestigd. Ze boden werk aan 6.500 mensen. Bovendien droeg deze agrarische ontwikkeling bij aan het ontstaan van de suikerwerkfabricage en industriële banketbakkerijen in West-Brabant.
De uitvinding van de kunstmest rond het midden van de 19de eeuw had ook voor Noord-Brabant ingrijpende gevolgen. Vanaf 1880 werd het steeds vaker toegepast. Een gevolg daarvan was dat akkers minder lang braak hoefden te liggen en de opbrengst per vierkante meter dus toeman. Ook werd het dankzij het bestaan van kunstmest gemakkelijker om de heiden om te zetten in bruikbare landbouwgronden. Dat vormde de aanzet tot grootscheepse ontginningen. Dankzij de daardoor ter beschikking komende grond kon het aantal boerenbedrijven worden vergroot. Boerenjongens die voorheen geen andere mogelijkheid hadden dan als (meestal vrijgezelle) knecht op de boerderij van hun oudere broer te gaan werken, konden daardoor een eigen bedrijf beginnen en een gezin stichten, wat weer bijdroeg aan de geleidelijke stijging van het aantal inwoners.
Zeer belangrijk was ook de toename van de organisatiegraad binnen de landbouwsector. In de 19de eeuw waren er in veel dorpen al landbouwverenigingen ontstaan die opkwamen voor de belangen van de boeren. In 1896 gingen die samen in de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond die een jaar later een officieel lid werd van de overkoepelende Nederlandse Boerenbond. De boerenleenbanken zetten zich op coöperatieve basis in voor de financiering van boerenbedrijven en verzorgden voordrachten voor boeren over een meer economische bedrijfsvoering.
