
Kinderwagenfabriek van de firma L.W. van Delft aan de Telegraafstraat in Tilburg. 1915.

Tilburg
In 1809 werd Tilburg door Lodewijk Napoleon tot stad verheven, tegelijk met Roosendaal en Oosterhout. Tilburg dankte die belangrijkheid aan de rol die deze plaats speelde in de wolnijverheid.
Toch had Tilburg in het begin van de 19de eeuw nog niet zo veel dat de kwalificatie stad rechtvaardigde. Weliswaar was er sprake van stedelijke bebouwing rond de parochiekerk, maar het voorzieningen niveau bleef achter bij wat in andere Brabantse steden kon worden aangetroffen.
De stedelijke kern was via lintbebouwing verbonden met akkerdorpen in de directe omgeving. Toen die bebouwing zich vanaf het einde van de 18de eeuw verdichtte, maakte het agrarische karakter zeer geleidelijk aan plaats voor een stedelijke structuur.
Een grote rol in die structuur speelde de textielnijverheid die tot in de 19de eeuw grotendeels een huisnijverheid was. Tilburg had al vanaf de 17de eeuw het recht om produkten en grondstoffen vrij in- en uit te voeren uit of naar Holland. Veel thuiswevers werkten via tussenpersonen, fabrikeurs genoemd, voor opdrachtgevers in onder meer Leiden. In de 18de eeuw gingen deze fabrikeurs steeds vaker voor zichzelf bedrijven opzetten omdat de omvang van hun werk steeds maar groeide. In 1783 werd in Tilburg de eerste textielfabriek gevestigd, aanvankelijk in samenhang met de huiswevers die hun werk thuis bleven doen.
Na 1820, toen de stoommachines geheel nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakten, werd het een geheel eigenstandige bedrijfstak die steeds minder afhankelijk was van de thuisarbeid. Die overgang vond plaats in de tweede helft van de 19de eeuw. Het aantal wollenstoffenfabrieken groeide snel. In 1855 waren er al bijna 70 en op het hoogtepunt, in 1881, telde de stad zelfs 145 fabrieken die zich met de productie van wollen stoffen bezig hielden. Hoewel er na 1881 sprake was van een zekere terugloop, bleef Tilburg nog lang een belangrijke industriestad, ook tot ver in de 20ste eeuw.
De fabrieken werden gebouwd op de open terreinen achter de bestaande lintbebouwing. Daardoor kwamen zij in feite midden tussen de arbeiderswoningen te staan. Tussen 1863 en 1881 werd Tilburg via het spoor verbonden met Breda, Turnhout, Eindhoven en 's-Hertogenbosch. Dit kwam de ontwikkeling van de industrie zeer ten goede. Zo ontstond rond 1870 de industriestad Tilburg. Tegen het einde van de 19de eeuw zou het de grootste stad van Brabant zijn.
Volgens een opgave in het gemeenteverslag van 1871 telde de stad in dat jaar:
- 125 wollenstoffenfabrieken,
- 10 lakenververijen,
- 4 wolwasserijen,
- 8 korenmolens,
- 5 fabrieken voor stoomwerktuigen,
- 39 smederijen,
- 4 ijzergieterijen,
- 15 koperslagerijen,
- 34 leerlooierijen,
- 5 vellenbloterijen,
- 5 makerijen voor paardentuig,
- 9 steenbakkerijen,
- 33 metselaars,
- 23 huisschilders,
- 63 timmerwinkels,
- 6 bierbrouwerijen,
- 165 schoenmakers,
- 75 bakkers,
- 39 slagerijen,
- 12 kruideniers,
- 76 kleermakers,
- 11 mandenmakerijen,
- 12 stoelenmakerijen,
- 10 wagenmakerijen en
- 1 gasfabriek.
In de daaropvolgende decennia zouden er nog andere fabrieken bijkomen, zoals de sigarenfabrieken van Leo Diepen en van Majoie en Van der Voort, de kinderwagenfabriek van Van Delft, de paraplufabriek van Gimbrère, en drie bedrijven die gloeilampen produceerden.
De betekenis van de stad steunde echter niet alleen op de industrie die met ruim honderd schoorstenen het silhouette van de stad bepaalde, maar ook op de 30 kloosters. Deze kloosters droegen bij aan een grote verbetering van het voorzieningenniveau van de stad op de gebieden van onderwijs, zieken- en bejaardenzorg.