De Belgische opstand
De Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden waren al meer dan anderhalve eeuw van elkaar gescheiden, toen in 1815 op het Congres van Wenen werd besloten ze weer in één staat samen te voegen: het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Zo vlak na de val van Napoleon wilde men aan de noordgrens van Frankrijk een sterke bufferstaat om het Franse gevaar in te dammen.
De nieuwe staat was echter geen succes. De economische, politieke en religieuze verschillen tussen Zuid en Noord bleken te groot. En ondanks verwoede pogingen van Willem I om een saamhorigheidsgevoel tot stand te brengen, bleven de inwoners van Zuid en Noord wantrouwig tegen over elkaar staan.
Op 25 augustus 1830 barstte de bom. In Brussel ontstond onrust tijdens een opvoering van de opera La Muette de Portici en het publiek trok onder het roepen van vrijheidsleuzen de stad in.
In verschillende zuidelijke steden kwam het volk nu in opstand tegen de koning. Regeringstroepen probeerden met geweld het verzet de kop in te drukken maar slaagden daarin niet. De laatste militaire schermutselingen vonden plaats in augustus 1831: de Tiendaagse Veldtocht.
Het zou uiteindelijk nog acht jaar duren voordat Willem I de Belgische staat officieel erkende en de twee buurlanden vrede sloten. Tot die tijd waren in Brabant vele soldaten gelegerd, enerzijds om een mogelijke aanval vanuit België af te kunnen slaan, maar ook wel omdat men in Den Haag onzeker was over de keuze van Noord-Brabant in deze strijd.
