De infrastructuur
Een blik op een kaart van het Koninkrijk der Nederlanden van 1817 laat zien dat het huidige Noord-Brabant, en zeker het oosten van de provincie, zeer leeg afsteekt bij zowel Noord- als Zuid-Nederland.
Het gebied was in de eeuwen daarvoor op een aantal gebieden achtergebleven, met name in de stedelijke ontwikkelingen en de infrastructuur. De noodzaak om daarin verandering te brengen werd niet alleen ingegeven door het motief om de achterstanden van de provincie in te lopen, maar ook omdat er goede verbindingen moesten komen tussen Noord- en Zuid-Nederland.
Tussen 1822 en 1826 werd de Zuid-Willemsvaart van 's-Hertogenbosch naar Maastricht gegraven, overigens een oud plan dat nu werd gerealiseerd. Bij de keuze van het traject was nog geen rekening gehouden met de ontwikkeling van Eindhoven; die stad werd dan ook letterlijk gepasseerd. Wel liep het kanaal pal langs Helmond wat een gunstige invloed heeft gehad op de ontwikkeling van de textielindustrie in die stad.
Kort nadat de Zuid-Willemsvaart gered was gekomen deden zowel Eindhoven als Tilburg een verzoek aan de rijksoverheid om betere waterwegen. Deze plannen verdwenen echter in de la nadat de Belgische opstand was uitgebroken. Eindhoven liet het er niet bij zitten en liet tussen 1843 en 1846 voor eigen rekening een kanaal graven dat de stad aansloot op de Zuid-Willemsvaart.
In West-Brabant bereikte men een betere ontsluiting door bestaande riviertjes als de Dintel en de Steenbergse en Roosendaalse Vliet geheel of gedeeltelijk te kanaliseren.
