Landwegen

In de Franse tijd was onderzoek gedaan naar een verbetering van de verbindingen tussen Antwerpen en Amsterdam en Antwerpen en Nijmegen. Koning Willem de eerste werkte daar op voort en tussen 1815 en 1817 kwamen de verbindingen Amsterdam Breda en Den Bosch-Luik tot stand. In de daaropvolgende jaren verdichtte zich het net van wegen, waarbij onderscheid werd gemaakt tussen wegen van de eerste klas, waarvoor het Rijk de benodigde financiën bijeen zou brengen, en wegen van de tweede klas die een verantwoordelijkheid waren van de provincies.

In 1850 was de rijksweg gereed van Bergen op Zoom via Breda, Tilburg, 's-Hertogenbosch en Grave naar Nijmegen. Ook de verbinding van Antwerpen naar Gorinchem, via Breda, kwam in deze tijd gereed. Breda had ook een verbinding richting Rotterdam. Vanuit 's-Hertogenbosch liep er een rijksweg naar Eindhoven en Valkenswaard en net na het midden van de 19de eeuw kwamen er rijkswegen tussen Tilburg en Goirle en tussen Eindhoven en Weert.

De provincies en de gemeenten werkte wat trager dan het rijk, maar ook door deze instellingen werd bijgedragen aan de verbetering van het wegennet. Zo werd in 1841 de provinciale weg van Rosmalen naar Veghel voltooid. De vooruitgang laat zich het beste aflezen aan de hand van getallen. Omstreeks 1850 lag er ongeveer 600 kilometer aan bestrate verbindingswegen. Twintig jaar later was dat getal 1841 kilometer.

Het onderhoud aan de nieuwe straatwegen werd aanvankelijk betaald uit tolgelden. Op de rijks- en gemeentewegen in Noord-Brabant werden die tollen vanaf 1872 vervangen door een paardenbelasting. De algemene wegenbelasting dateert pas uit 1926.

De eerste spoorwegen zouden in Noord-Brabant pas ná 1850 worden aangelegd.




Thuis in Brabant
 
Links | Colofon