Waterverbindingen

Tussen 1822 en 1826 werd de Zuid-Willemsvaart van 's-Hertogenbosch naar Maastricht gegraven, overigens een oud plan dat nu werd gerealiseerd. Bij de keuze van het traject was nog geen rekening gehouden met de ontwikkeling van Eindhoven; die stad werd dan ook letterlijk gepasseerd. Wel liep het kanaal pal langs Helmond wat een gunstige invloed heeft gehad op de ontwikkeling van de textielindustrie in die stad.

Kort nadat de Zuid-Willemsvaart gered was gekomen deden zowel Eindhoven als Tilburg een verzoek aan de rijksoverheid om betere waterwegen. Deze plannen verdwenen echter in de la nadat de Belgische opstand was uitgebroken. Eindhoven liet het er niet bij zitten en liet tussen 1843 en 1846 voor eigen rekening een kanaal graven dat de stad aansloot op de Zuid-Willemsvaart.

In West-Brabant bereikte men een betere ontsluiting door bestaande riviertjes als de Dintel en de Steenbergse en Roosendaalse Vliet geheel of gedeeltelijk te kanaliseren.

Indirect van belang voor de verbetering van de infrastructuur was de verbetering van de waterlossing, met name die van de Maas. In de wintermaanden kon het water vanuit de Maas en de Waal maar één kant op: naar Brabant. Daar zorgde het voor enorme overlast in een zeer brede strook in het noordoosten van Brabant. Het water kon zelfs de stad Den Bosch bereiken met alle schadelijke gevolgen van dien. Al in de Generaliteitsperiode had Brabant er bij de Staten op aangedrongen dit probleem op te lossen, maar het werd toen niet aangepakt. Vanaf het midden van de 19de eeuw gebeurde dat wel. Er moesten erg veel werkzaamheden worden verricht, zoals het graven van de Nieuwe Merwede tussen Werkendam en het Hollands Diep, maar omstreeks 1890 waren de problemen aanzienlijk verminderd, in ieder geval in het gebied ten Westen van Den Bosch waar de Baardwijkse Overlaat een van de problemen was. Wat nog bleef waren de moeilijkheden rond de Beerse Overlaat, die zouden pas een halve eeuw later ter hand worden genomen.




Thuis in Brabant
 
Links | Colofon