Onderwijs

Na 1795 werd het verbod op katholiek onderwijs in Bataafs Brabant opgeheven. Al in 1787 werden in Grave, Helmond, Eindhoven, Oosterhout en Bergen op Zoom nieuwe Latijnse scholen opgericht waar priesters uit België en Frankrijk les gaven. Toen na de sluiting van de universiteit van Leuven door de Fransen in 1797 de priesteropleiding in gevaar kwam, werden in 1798 in Den Bosch en Breda 'Groot-seminariën' gesticht voor de theologische en filosofische opleiding van toekomstige priesters. Het eerste 'Klein-seminiarie' voor jongens vanaf twaalf jaar kwam in Berlicum (1815).

In 1800 was er in iedere gemeente een school voor kinderen van ca. zes tot twaalf jaar. Op het niveau van het daar verstrekte onderwijs werd toegezien maar dit toezicht liet soms te wensen over. Bovendien waren de toezichthouders in grote meerderheid protestant wat hun positie er niet eenvoudiger op maakte. De huisvesting van de scholen was dikwijls slecht. Veel schooltjes in Noord-Brabant waren ondergebracht in voormalige kapellen of in een deel van de middeleeuwse kerk. Ook het opleidingsniveau van de leraren voldeed vaak niet aan minimale eisen. Ouders moesten per kind maandelijks een klein bedrag betalen. Arme kinderen voor wie niet was betaald moesten achterin zitten.

Met de schoolwet van 1806 kwamen er speciale scholen voor meisje en ook het kleuteronderwijs werd geregeld. Alle scholen waren voor kinderen van alle gezindten. De mogelijkheid van speciaal onderwijs met scholen voor verschillende religies kreeg pas een wettelijke grondslag in de Lager Onderwijswet van 1857.

Van grote invloed waren de religieuze congregaties die vanaf de jaren dertig van de 19de eeuw werden opgericht. De eerste was de Bossche Congregatie van Jezus, Maria en Jozef (Zusters van Mariënburg) opgericht in 1822 door pastoor Heeren. Deze zusters waren ook betrokken bij het in 1830 opgerichte Doofstommeninstituut in Sint-Michielsgestel. Niet lang daarna werden in Tilburg de Zusters van Liefde (1832) en de Fraters van Tilburg (1844) opgericht. Deze twee instellingen werden gesticht op initiatief van De Tilburgse pastoor Joannes Zwijssen.De Fraters van Tilburg stichtten in 1859 het Blindeninstituut voor jongens in Grave, gevolgd door een vergelijkbare instelling in dezelfde plaats voor meisjes onder leiding van de zusters van Liefde.

Vergelijkbare initiatieven waren de stichtingen van de Zusters van Schijndel door pastoor van Erp in 1836 en van de Zusters van Veghel (Congregatie van de Zusters van de Zusters Onbevlekte Ontvangenis der heilige Moeder Gods) door pastoor Van Miert in 1844. In Oudenbosch werd in 1840 door pastoor Hellemons de Broederscongregatie van de heilige Aloysius Gonzaga opgericht. Die begon daar een katholieke armenschool en een pensionaat. Al snel na de oprichting werden de nieuwe congregaties benaderd om leerkrachten te leveren voor scholen in de hele provincie. Omdat deze fraters en zusters goed waren opgeleid hebben zij een niet te overschatten betekenis gehad voor de intellectuele vorming van de Brabanders tot ver in de 20ste eeuw.

Het middelbaar onderwijs was tot ca. 1860 geconcentreerd in gymnasia in onder meer Den Bosch (1848), Boxmeer (1851) Gemert en Bergen op Zoom. Darnaast waren er verschillende Klein-seminaries bijgekomen die hetzij door de bisdommen, hetzij door de orden en congregaties werden geleid.

Hoger onderwijs bleef beperkt tot de Groot-seminaries die al aan het einde van de 18de eeuw tot stand waren gekomen en tot de Koninklijke Militaire Academie die in 1828 in Breda werd opgericht.




Thuis in Brabant
 
Links | Colofon