De komst van de Romeinen naar Brabant

In 57 vóór Christus trokken de Romeinen onder leiding van Julius Caesar het gebied binnen dat nu Noord-Brabant heet. Zijn doel was verder op te trekken in noordelijke richting waar hij de rivier de Elbe tot een natuurlijke grens voor het Romeinse Rijk wilde maken, een veilige buffer tegen de opdringende Germaanse stammen.

De mensen die bij zijn komst in Brabant woonden, maakten waarschijnlijk deel uit van het volk van de Menapii en dat van de Eburonen. De Eburonen kwamen in 54 vóór Christus in opstand tegen de Romeinse bezetters. Er volgde een verbeten strijd waarin duizenden Romeinen zijn gesneuveld. Uiteindelijk kregen de Romeinen weer greep op de problemen en werd het volk van de Eburones uitgemoord.

Brabant was in die tijd een onherbergzaam gebied met moerassen en dichte bossen. De Romeinen voelden zich hier niet echt veilig; in 49 vóór Christus trok Caesar zich dan ook uit dit gebied terug.

Pas tijdens de regering van keizer Augustus (27 vóór Christus - 14 ná Christus) kwam er een blijvende Romeinse bezetting.

In 47 na Christus besloot keizer Claudius om niet de Elbe, maar de Rijn tot noordelijke grens van het Romeinse Rijk te maken. Brabant werd toen het directe achterland van de Limes, de grens van het Romeinse wereldrijk. Het kreeg daardoor niet alleen militaire betekenis, maar werd ook logistiek van belang voor de aan de grens gelegerde troepen.



Thuis in Brabant
 
Links | Colofon