Keuterboerderijen

Het begrip keuterboer is afgeleid van het Nedersaksische woord köter. Het werd gebruikt ter aanduiding van iemand die in een kleine boerderij woonde (vergelijk: kot). Het betrof bijna altijd mensen die als knecht of in tijdelijke loondienst werkten voor een grotere boer. Voor hun eigen bestaan hadden ze daarnaast een kleine boerderij met een lapje grond en soms ook enkele dieren. 

Kenmerk van de keuterboerderij is dat het op het eerste gezicht een gewone broederij lijkt, maar kleiner is omdat een of meer functies van een gebruikelijke boerderij ontbreken. Zo zien we baak dat bij keuterboerderijen va het langgeveltype in het stalgedeelte niet twee deuren zaten (voor stal en deel), maar slechts één.

Keuterboerderijen ontstonden doordat mensen zich vestigden op te ontginnen stukken heidegrond, de kampen of door het opsplitsen van grotere hoeven in kleine boerderijen. We zien ze vooral op de Brabantse zandgronden. 
Op een schilderij door Jacobus Cornelis Huysmans (Breda 1776-Ginneken 1859) is een keuterboederijtje uit de eerste helft van de 19de eeuw te zien: een bouwvallig huisje met een lage aanbouw en een losse stal. Vlak tegen het boerderijtje liggen twee akkertjes en de bewoonster het waarschijnlijk ebige vee uit dat men bezit, drie koeien voor de mest moeten zorgen waarmee het akkertje wordt bestrooid.




Thuis in Brabant
 
Links | Colofon