Langgevelboerderijen
Bij de Brabantse hallehuizen stond al vaak een muur tussen het woongedeelte en de rest. Vanaf ca. 1750 zette een ontwikkeling in waarbij het hallehuis werd gecombineerd met een dwarsdeel. Daarbij kwam er dikwijls nog een wand bij tussen stal en de deel. Bovendien werd de ruimte voor de oogstopslag, de tas, ook steeds vaker onder de kap van de boerderij gebracht. De afscheidingen tussen deze ruimten vielen samen met de positie van de gebinten. Daarmee werd de oorspronkelijke driebeukige lengterichting van de hallehuizen doorbroken. Toen ook de toegangen tot de verschillende onderdelen aan één lange zijde kwamen te liggen was de langgevelboerderij ontstaan die in de loop van de 19de eeuw het overheersende type werd en waarin ook weer verschillende varianten ontstonden. Uiteindelijk werd de driebeukige opzet van de gebinten verlaten, ondermeer omdat de zijbeuken te laag waren voor een comfortabel woongedeelte.
De hier afgebeelde boerderij in de Dorpsstraat in Ulvenhout dateert uit de 18de eeuw. Hij heeft een riant maar wat smaller woongedeelte tegen een hallehuis-achtig stal- en schuurdeel. Dit woongedeelte is smaller omdat het alleen gebruik maakt van de middenbeuk van het hallehuis; wanneer de volle breedte over drie beuken gebruikt zou zijn, waren de gevels te laag geworden voor het inbrengen van bijvoorbeeld grote vensters.
Alle ingangen zitten al aan één kant, zodat we mogen spreken van een langgevel-aanleg, maar de grote deuren en het hooiluik in de korte achtergevel herinneren nog aan het oude hallehuis. We zouden dit dan ook een overgangstype tussen hallehuis en langgevelboerderij kunnen noemen.
