Watermolens
Waarschijnlijk zijn de eerste watermolens in Nederland al geïntroduceerd in de Romeinse tijd. De oudste schriftelijke vermelding betreft een watermolen in Waalre. In 704 vermaakte een Frankische edelman zijn bezittingen, waaronder Loondermolen aan Dommel vermeld is, een Willibrord.
Noord-Brabant, dat rijk is aan beken, was bij uitstek geschikt voor de bouw van watermolens.
Om een watermolen effectief te maken werd in een beek meestal een stuw gebouwd om voldoende verval te kunnen creëren. Via een maalschuif kan het niveau in deze stuw en daarmee de snelheid van de molen geregeld worden.
Afhankelijk van de plaats waar de waterstroom op of tegen het waterrad slaat spreekt men van boven- midden- of onderslagmolens. Oorspronkelijk functioneerden ze vooral als korenmolens, maar ook vonden ze toepassing als houtzaag-, olie- en papiermolens. Bij het begin van het industriële tijdperk werden watermolens nog wel eens ingebouwd in fabrieken voor de aandrijving van machine's. Deze toepassing werd echter snel ingehaald door de ontwikkeling van de stoommachine. In Geldrop staat nog de textielfabriek van Van den Heuvel waarvan de energievoorziening tot na het midden van de 19de eeuw mede van een watermolen afhankelijk was.
Een speciale variant van de watermolen was de getijdenmolen. Deze molens maakten voor de energievoorziening gebruik van de wisseling van eb en vloed. Zo'n molen stond in Bergen op Zoom. Het rond 1503 opgerichte gebouw waarin de molen zich bevond bestaat nog steeds, maar het oude molenrad is verdwenen.
