Windmolens
Windmolens bestaan er in verschillende typen. Van de meeste typen komen ook in Noord-Brabant voorbeelden voor.
Het oudste type is de standerdmolen, al dan niet op een open houten voet. Het is een geheel in hout uitgevoerd molentype waarvan de molenkast in zijn geheel kan draaien op en over de grote ronde standaard. Standerdmolens kwamen overal in Noord- en Zuid-Nederland voor, maar door de loop van de geschiedenis zijn de meeste ervan tegenwoordig nog in Noord-Brabant te vinden. Veel standerdmolens werden in de 19de en 20ste eeuw vervangen door stenen windmolens.
In het Land van Heusden en Altena bouwde men wipmolens die speciaal bedoeld waren voor het droogmalen van de polders.
Uit de stenen torenmolen, die overigens vooral als korenmolen werd gebruikt, ontstond een hele groep van andere molentypen. Deze zeer zware ronde torens werden vanaf ca. 1400 in ons land gebouwd. Ze hadden een betrekkelijk klein, deelbaar deel waaraan de wieken bevestigd waren en dat van binnenuit moest worden rond gekruid. In Brabant zijn geen torenmolens bewaard gebleven. Al snel zochten Hollandse molenbouwers naar een wat lichtere variant van deze torenmolen. Zo ontstonden torens met een houten molenlijf en een kruibare kap en wat later de achtkanter en de bakstenen molens.
Behalve over het type windmolen kunnen we nog iets zeggen over de vorm. Zo zijn er molens die met hun wieken vlak over het maaiveld draaien. We noemen dat grondzeilers. In steden en andere plaatsen met meer bebouwing was het noodzakelijk om molens hoger te maken, zodat ze optimaal gebruik konden maken van de wind. De meest toegepaste oplossingen waren het verhogen van de hele constructie (stellingmolens) of het bouwen van de molen op een heuvel (beltmolens).
Van een vroeg 20ste-eeuwse variant van windmolen, de uit de Verenigde Staten en Canada overgenomen windmotor, is in Brabant slechts één exemplaar bewaard gebleven, in Genderen.
