Stellingmolens

Grondzeilers hebben het nadeel dat ze in een bebouwde of begroeide omgeving minder wind vangen, Om dit probleem op te lossen bouwde men vanaf de 17de eeuw stellingmolens, molens op een verhoogde voet. Om de bediening van de molen en de krui te vergemakkelijken bracht men op ongeveer een derde van de hoogte een houten galerij of stelling aan. Een extra voordeel van de stellingmolen is dat de onderbouw extra ruimte bood voor opslag of voor de bedrijfsvoering. De meeste stellingmolens dienden als korenmolen, simpelweg omdat het bouwen op een stelling in het open polderlandschap meestal niet nodig was, tenzij hoge dijk de windvang belemmerden. Een nadeel van de stellingmolen was dat de houten constructie kwetsbaar was en veel onderhoud vergde. Om die reden werd vanaf de 19de vaker de voorkeur gegeven aan beltmolens.

Een voorbeeld van een stellingmolen in Brabant is de Biischopsmolen in Etten. Deze molen werd gebouwd in 1774 ter vervanging van een toen al eeuwenoude standerdmolen. De molen was bestemd voor de bisschop van Antwerpen (Etten viel onder het bisdom Antwerpen) die daarmee een vaste bron van inkomsten kreeg. In 1960, kort nadat de molen was verkocht aan de gemeente Etten, werd de bedrijfsvoering gestaakt. Zes jaar later is hij weer bedrijfsvaardig gemaakt en ook de de daaropvolgende jaren zijn herhaaldelijk herstelwerkzaamheden uitgevoerd.




Thuis in Brabant
 
Links | Colofon