Gotische kerktorens
De bakstenen torens van de Brabantse dorpskerken wijken tot ca. 1450 nauwelijks af van die elders in het land. Ze zijn over het algemeen tamelijk vlak, het muuroppervlak is niet overdadig versierd en in een aantal gevallen is de torenromp voorzien van zware steunberen die haaks of overhoeks (onder een hoek van 45 graden) op het muurwerk zijn geplaatst.
Na 1450 kwam hierin verandering en gedurende een periode van bijna honderd jaar werden bij een aantal kerken in Brabant grote zware torens gebouwd die rijk waren gedetailleerd. Het muurwerk van de torenromp werd voorzien van spaarvelden, ondiep terugspringende vlakken en de steunberen ogen vaak zeer decoratief doordat ze werden opgedeeld in haakse en overhoekse stukken en uitgebreid met kleine torentjes (pinakels). Door het creatief gebruik van natuurstenen sierdelen in spaarvelden en aan steunberen werd de levendigheid nog vergroot. Het lijkt of de bouwers van deze torens de bedoeling hadden om door de afwisseling van materialen, door het creëren van schuin op elkaar staande vlakken en door het toevoegen van decoratieve elementen een fraai spel van lichte en donkere bouwdelen te krijgen. In ieder geval typeert deze levendige contrastwerking de Brabantse bakstenen torens.
Deze wijze van torens bouwen is afgeleid van de rijk versierde, en met natuursteen beklede, torens in het kerngebied van de Brabantse gotiek in de zuidelijke Nederlanden, waarvan ook de toren van de Grote Kerk in Breda een exponent is. Op het Brabantse platteland ging men deze voorbeelden als het ware 'vertalen in baksteen'. Het meest treffende voorbeeld van zo'n vertaling is de bakstenen toren van de kerk van Oosterhout. Deze toren is weliswaar maar voor een deel afgebouwd, maar een vergelijking met die van Breda laat zien hoe nauwkeurig het voorbeeld werd nagevolgd. Door met de cursor naar de afbeelding te gaan kunnen beide torens worden vergeleken.

