Grenskerken
Katholieken in de grensgebieden van Staats-Brabant zochten in de 17de en 18e eeuw voor het bezoeken van erediensten dikwijls hun toevlucht tot kerken in de Spaanse Nederlanden die net buiten de grens vielen. Vooral in de eerste decennia na de vrede van Münster was dat het geval, omdat het verbod op de katholieke eredienst in die periode zeer strikt werd gehandhaafd.
Vanuit Oost-Brabant gingen de katholieken naar dorpen in Noord-Limburg, zoals Venray, Weert en Nederweert.
Op de grens tussen Staats-Brabant en de Spaanse Nederlanden lag Achel, een dorpje dat bestuurd werd door de Prins-bisschop van Luik. Uit de grenskerk, die daar rond 1650 werd gebouwd, is later de Achelse kluis ontstaan.
Vanuit Tilburg, Goirle en Hilvarenbeek werden grenskapellen bezocht in Poppel, net onder de huidige Belgisch-Nederlandse grens.
Verder waren er de katholieke enclaves waar kerken werden bezocht of waar zelfs speciaal een kerk werd gebouwd voor de katholieken uit staats-Brabant. Zo bouwden de inwoners van Veghel in 1649 een grenskapel in Uden dat toentertijd deel uitmaakte van het vrije Land van Ravenstein.
De tastbare herinneringen aan het merendeel van deze grafkapellen is zo goed als uitgevaagd. Een lang vedwenen kapel werd in 1945 herbouwd door de inwoners van Ulicoten op de plaats waar hun dorpsgenoten vanaf 1648 ter kerke gingen: de Bernarduskapel die net op Belgisch grondgebied lag.
De oorspronkelijke kapel was volgens de beschrijving een lemen gebouw met een dak van riet en plaggen. In 1781 vond nog een uitbreiding plaats maar na 1794 is het gebouw afgebroken.
Bij de herbouw werden stenen gebruikt van de in de oorlog verwoeste parochiekerk. Van een echte herbouw kunnen we dan eigenlijk ook niet spreken; de kapel uit 1648 en zijn bijna 300 jaar oude reconstructie hebben alleen gemeen dat ze op dezelfde plaats staan.
