Kerkgebouwen na ca. 1800
Na de val van de Republiek kreeg Staat-Brabant in 1795 een eigen gewestelijk bestuur. Een jaar later werd dat toegelaten tot de Nationale Vergadering. Het betekende tevens het einde aan de beperkingen voor katholieken om hun godsdienst openlijk te belijden. Er kwam een regeling om de katholieken weer de beschikking te geven over een eigen kerkgebouw. Deze regeling bepaalde dat het bestaande kerkgebouw aan de grootste geloofsgemeenschap moest worden gerestitueerd en dat de kleinere gemeenschap voor dit verlies naar rato van het aantal gelovigen zou worden gecompenseerd. Overigens kwam het ook voor dat de protestanten de beschikking hielden over de middeleeuwse kerk wanneer die voor de gegroeide katholieke parochie te klein was geworden. In dat geval kregen de katholieken de mogelijkheid een grotere nieuwe kerk te bouwen. Hoe de verdeling ook uitviel, het betekende vrijwel altijd dat er een nieuwe kerk bij kwam. Ze worden wel eens 'Napoleonskerkjes' genoemd in verband met de rol die koning Lodewijk Napoleon had gespeeld in de teruggave van kerkgebouwen en de realisatie van vervangende behuizing.
In het begin van de 19de eeuw was de Boxtelse architect Hendrik Verhees een van de architecten die protestantse kerkjes bouwde in een mengsel van neoklassieke en gotische motieven. Vanaf 1824 kwam er een subsidieregeling voor de kerkenbouw en werd het toezicht hierop aan architecten van Rijkswaterstaat opgedragen. De kerken uit deze periode, ook waterstaatskerken genoemd, zijn meestal opgetrokken in classicistische vormen. Na 1845 drong ook de neogotiek tot Noord-Brabant door. Deze stijl kwam hier volop tot ontwikkeling na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853. Neogotische kerken werden gebouwd tot in de 20ste eeuw, maar vanaf 1890 kwamen er ook varianten die geïnspireerd zijn op Byzantijnse en romaanse vormen. Overigens werd ook vóór die tijd zo nu en dan al gekozen voor niet-gotische vormen, zoals de door Cuypers gebouwde basiliek van Oudenbosch laat zien.
Ook de 20ste eeuw heeft zijn sporen nagelaten in de kerkelijke bouwkunst van Brabant. Dat begon met zowel door het expressionistisch als door de traditie bepaalde bouwstijlen, en eindigde in de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog met moderne stromingen, waarbij overigens het traditionalisme van de Bossche School een dominante rol speelde.
