Kloosters ná 1800
Ná 1800 kwam de stichting van nieuwe kloosters geleidelijk op gang. De Cisterziënsers vestigden in 1881 bij Tilburg het Trappistenklooster; paters Capucijnen stichtten in 1897 een klooster in 's-Hertogenbosch. In 1907 kwamen de Benedictijnen naar Oosterhout. Het was nieuwe stichtingen van een traditionele kloosterorde in Noord-Brabant. Daarnaast moeten we vaststellen dat de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw de tijd was van kloosters die een geheel ander organisatieconcept hanteerden: congregaties die zich bezig hielden met zielzorg, onderwijs, opvoeding, ziekenzorg en missionering. Hun ontwikkeling en groei ging gelijk op met de toename van de bevolking. Vooral in de 19de eeuw speelden zij een onmisbare rol in de samenleving doordat ze een netwerk van voorzieningen tot stand brachten waar de burgerlijke overheid op dat moment nog niet aan toe was. Deze belangrijke rol behielden deze congregaties tot na de Tweede Wereldoorlog. De maatschappelijke en religieuze veranderingen van ná die tijd betekenden het einde van veel van deze activiteiten. Seculiere organisaties, gesteund door de overheid, namen veel taken van de voormalige religieuzen over.
Het verschil tussen de 'oude' kloosters en de congregaties komt niet alleen tot uitdrukking in hun manier van leven, maar ook in de kloostergebouwen. De bouwwerken van de congregaties staan over het algemeen in of dicht bij de centra van steden en dorpen en stralen een meer open karakter uit dan veel kloosters van de traditionele orden. Zo is de architectuur van het kapucijnenklooster in 's-Hertogenbosch uit 1897-1899 nog geheel gebaseerd op voorbeelden van Franciscaanse kloosters uit de 17de en 18de eeuw.
