Kloosters vóór 1800
Noord-Brabant was lange tijd een witte vlek op de kaart van religieuze communiteiten. In België dateert het eerste klooster van 625, het eerste klooster in Nederland werd in 714 in Susteren gesticht. Op het grondgebied van het huidige Noord-Brabant werd het eerste klooster pas in 1132 gesticht toen ridder Fulco (ook Folcbert genoemd) van Berne zijn landgoed daar beschikbaar stelde, eerst aan de Augustijnen, twee jaar later aan de Premonstratenzers. Enkele jaren later, in 1146, werd het klooster van de reguliere kanunnikken (later kanunnikkessen) van Hooijdonck gevestigd. Verder werd in 1195 een gemeenschap van kluizenaars van de orde der Wilhelmieten vermeld op de Munnikesvinkel in Geffen. Nieuwe stichtingen vonden in de 13de eeuw plaats, min of meer gelijktijdig met de komst van de eerste steden. Opmerkelijk daarbij is de vroege komst van de Franciscanen naar Den Bosch in 1226, het jaar dat hun stichter Franciscus overleed. Ook de bedelorde van de Dominicanen kreeg in de 13de eeuw een klooster binnen 's-Hertogenbosch. De 13de eeuw was ook de periode waarin de begijnenbeweging opkwam. Het oudste begijnhof in Noord-Brabant is dat van Breda uit 1240. Kort daarna kwamen er begijnhoven in Den Bosch, Grave Eindhoven en Helmond. In de 14de eeuw vestigden zich onder meer de Clarissen in 's-Hertogenbosch en ontstond het Kruisbroedersconvent van Sint-Agatha bij Cuijk. De meeste nieuwe kloosters ontstonden in de 15de eeuw, mede onder de invloed van de Moderne Devotie. Vooral Den Bosch telde veel nieuwe stichtingen. De hoeveelheid religieuzen in die stad was zo omvangrijk dat de stad 'Cleyn Rome' werd genoemd.
In de 16de eeuw werd de positie van veel kloosters bedreigd door de Reformatie en door de mede daarmee samenhangende staatkundige ontwikkelingen. Een aantal kloosters op het platteland werd verplaatst naar de steden waar hun veiligheid beter gewaardborgd was. Na de inname van 's-Hertogenbosch in 1629, en vooral na de Vrede van Munster in 1648, moesten veel kloosters vertrekken op last van de nieuwe, protestantse bestuurders. Voor mannelijke religieuzen betekende dat meestal onmiddellijk vertrek naar elders, kloosters van vrouwelijke religieuzen mochten vanaf dat moment geen novicen meer aannemen en waren dus tot uistereven gedoemd.
In de 17de en 18de eeuw vertrokken veel religieuzen daarom naar de Zuidelijke Nederlanden. Enkele kloosters werden verplaatst naar de katholieke enclaves in het noordoosten van Brabant en hebben zich daar kunnen handhaven tot ná 1800.
