
Synagoge van Oss naar een tekening door Hendrik de Laat, ca. 1933.

Synagogen
Er woonden al vroeg joden in Brabant, zij het in kleine aantallen. Hun leven was weinig rooskleurig. Omstreeks 1188 werden 183 joden bij een massamoord op de heide van Vught vermoord. Tijdens de pestepidemie van 1349-1351 werden joden verantwoordelijk gehouden voor het uitbreken van deze ziekte. In 1370 zou bovendien het Hostiemirakel hebben plaatsgevonden nadat joden in de Brusselse synagoge hosties met een dolk doorstoken hadden. Mede naar aanleiding daarvan werden zij bij formeel decreet in 1370 verbannen uit het hertogdom Brabant. In de daaropvolgende eeuwen was hun aanwezigheid in Brabant dan ook uiterst beperkt en zelden van lange duur.
In de Republiek werden joden, aanvankelijk vooral van Spaanse en Portugese oorsprong, tot op zekere hoogte getolereerd, al was hun bestaan aan zware beperkingen gebonden. In de 17de eeuw kwamen daar de Askenazische joden bij die de zware jodenvervolgingen in Oost-Europa waren ontvlucht. Een klein aantal daarvan kwam terecht in het huidige Noord-Brabant. Hoewel dit gebied onder toezicht viel van de Staten Generaal was de katholieke bevolking hier aanzienlijk minder verdraagzaam dan die in het Calvinistische noorden. In de 18de eeuw woonden de meeste Brabantse joden in dorpen; in de steden was men veel terughoudender. Veel joden leidden zelfs een zwervend bestaan als marskramer of marktkoopman. Een groep van deze rondtrekkende joden kwam vanaf circa 1740 op vrijdagavonden in Oisterwijk bijeen voor de sjabbat-viering. In 1757 vestigde zich de eerste rabbijn in Oisterwijk die al snel erkend werd als opperrabbijn in Staats-Brabant. In 1762 richtte hij daar een kleine synagoge in. Zijn gemeente telde toen 15 tot 20 gezinnen. Na 1780 nam 's-Hertogenbosch de rol over van Oisterwijk maar het stadsbestuur was erg terughoudend weeigerde lange tijd het bestaan van een joodse gemeenschap te erkennen.
In 1796 kregen de joden door het besluit van de Nationale Vergadering gelijke rechten als andere Nederlandse burgers, maar het duurde nog lang voordat sprake was van een echte emancipatie, ook omdat veel joden arm waren en weinig mogelijkheden hadden zich te ontplooien. In 1809 kwam er in weer een opperrabinaat voor Noord-Brabant, ditmaal in Den Bosch. Dit duurde tot 1827 waarna geen nieuwe kandidaat kon worden gevonden. Pas in 1907, met het aantreden van Salomon Heertjes, werd in de vacature voorzien.
In het begin van de 19de eeuw werden in Oisterwijk en Eindhoven de eerste synagogen gebouwd. Enkele jaren later kwamen er synagogen in Den Bosch (1823), Oss (1830), Bergen op Zoom (1832) en Breda (1845). De meeste synagogen dateren uit de jaren 1865-1875: Boxmeer, Oosterhout, Lith, Heusden, Schijndel, Grave, Sint-Oedenrode, Veghel, Tilburg en Geertruidenberg. Ze werden opgetrokken in een neoclassicistische of neogotische vormgeving, of in vormen die verwijzen naar een oosters geïnspireerde architectuur. De moorse hoefijzerboof is een daarin regelmatig gebruikt motief.
Brabant had sinds 1907 weer een eigen opperrabijn in de persoon van Salomon Heertjes die zetelde in Den Bosch en van die plaats uit zorg droeg voor de vele kleine joodse gemeenten in zowel Noord-Brabant als Limburg. Heertjes overleefde de oorlog, maar na zijn dood in 1947 is er geen nieuwe opperrabijn meer benoemd.
In verschillende plaatsen in Brabant zijn nog synagogen bewaard gebleven. Het merendeel ervan heeft tegenwoordig een andere functie.