Dorpshuizen
De Lodewijkstijlen werden ook bij huizen in de dorpen wel toegepast, maar aanmerkelijk minder vaak dan in de steden waar de gevels van de huizen van welgestelden meer nadrukkelijk een representatieve functie hadden. De meest eenvoudige dorpshuizen leken vaak op boerderijen of waren daar verkleinde vormen van. Statige dorpshuizen zijn van het type van de pastorie van Nuenen: huizen van twee verdiepingen op een rechthoekige plattegrond met de lange gevel aan de straatzijde. De huizen hebben grote rechthoekige vensters en een voordeur met bovenlicht in het midden van de gevel. Een variant daarop zijn de woonhuizen die aan de voorzijde twee, aan de achterzijde één verdieping hebben. Dit type wordt ook wel eens omschreven als het Kempische woonhuis, overigens zonder dat er enig bewijs bestaat dat deze huizen specifiek met die landstreek verbonden zouden zijn.
In Maarheeze staat een huis met een in- en uitzwenkende topgevel dat blijkens de muurankers zou dateren uit 1779. Aangenomen wordt dat dit huis is gebouwd als teutenhuis. Teuten waren marskramers die in tegenstelling tot de meeste andere rondreizende kooplieden een hoge organisatiegraad kenden. Zij handelden vooral in koper, textiel en vrouwenhaar (ten behoeve van pruiken). Veel rijk geworden teuten vestigden zich in dorpen in het zuidoosten van Noord-Brabant. Het teutenhuis van Maarheeze werd in de 19de eeuw gebruikt als ambtswoning voor de burgemeester en heeft in die tijd nogal wat aanpassingen ondergaan.

