De 19de eeuw
Met het toenemen van de welstand en de groei van de bevolking nam ook de variatie in woonhuizen toe. Ook in de dorpen werden vanaf 1800 steeds vaker grote huizen gebouwd. In de dorpen overheerste het eenvoudige rechthoekige dwarshuis met een zadeldak tussen twee zij-topgevels. Arbeiderswoningen waren over het algemeen erg klein en zijn mede om die reden in de 20ste eeuw bijna allemaal afgebroken of onherkenbaar verbouwd. In enkele plaatsen zijn nog wevershuisjes te zien, dikwijls herkenbaar aan het grote raam dat daglicht liet binnenvallen op het weefgetouw.
In de steden kreeg de woonhuis-architectuur vanaf ca. 1800 een neoclassicistisch karakter. Het zijn de empire-huizen, gekenmerkt door een terughoudenheid in versieringsmotieven, zware kroonlijsten en rechthoekige vensters met grote glasruiten. Van een voor Brabant karakteristieke architectuur is zeker na 1800 geen sprake meer. De woonhuizen worden gebouwd in een stijl die in niets afwijkt van die in andere Nederlandse steden.
Vanaf ca. 1830 werden in de steden veel witgepleisterde lijstgevels gebouwd. De kroonlijsten van deze huizen worden gedragen door gestucadoorde consoles en vaak is er ook andere decoratie in de vorm van stucadoorwerk op aangebracht. Het eclecticisme leidde tot een overdaad aan vormen en stijlen. In de steden en in iets mindere mate in dorpen zien we huizen waarvan de vormgeving enkele kenmerken heeft van de Hollandse renaissance. Baksteen gecombineerd met natuursteen of banden van wit stucadoorwerk. Dikwijls werd deze architectuur uitgebreid met torenjes, erkers, balkons en decoratieve elementen, en is er sprake assymetrische gevelcomposities. We zien daarvan veel voorbeelden in de hoofdstraten van de steden. Deze bouwstijl zet zich ook na 1900 nog enige tijd voort.
Kort vóór 1900 werden ook al de eerste huizen gebouwd in de stijl van de Art Nouveau.

