Ná 1900
De vaak erbarmelijke huisvestingsproblematiek van veel arbeiders leidde in 1901 tot het aannemen van de woningwet. Daarin werden gemeenten verplicht om aan te geven welke eisen werden gesteld aan nieuw te bouwen en bestaande woningen wat betreft constructie, afmetingen, sanitair en de toegankelijkheid van licht en lucht. Dit was onder meer eenr eactie op de 19de-eeuwse alkoofwoningen waarin een voor- en achterkamer een onverlichte een niet te ventileren slaap insloten. De woningwet was in theorie een verbetering maar het duurde vrij lang voordat die goed werd nageleefd. Toch was het de opstap naar een betere volkshuisvesting.
Ook gerenommeerde architecten gingen huizen voor arbeiders ontwerpen wat leidde tot nieuwe stadswijken met - naar de normen van de tijd - zeer acceptabele huizen.
Na de Tweede Wereldoorlog leidde de bevolkingsexplosie tot een grote vraag aan woningen. De overheid probeerde daarin op allerlei manieren stimulerend op te treden. Zo kennen we uit de jaren zestig de Bogaerswoningen, goedkope twee-onder-een-kappers die niet meer mochten kosten dan 17.000 gulden De eigenaar kreeg een subsidie van 1.000 gulden.
Nadat eind jaren zestig de welvaart sterk was toegenomen konden steeds meer mensen zich een eigen en ook vaak steeds duurdere woning permitteren. Zo ontstonden de uitgebreide nieuwbouwwijken bij zowel steden als dorpen, vaak ten koste van landschap en/of historisch gegroeide infrastructuur.
De 20ste eeuw was ook de periode waarin Nederland werd overspoeld met een grote variatie in bouwstijlen en -vormen. De voorbeelden daarvan zien we vooral bij de duurdere woningen zoals villa's, landhuizen, fabrikantenwoningen en daarmee vergelijkbare woningen. Het is onmogelijk daarvan in kort bestek zelfs een beperkt overzicht te bieden. Zo werden ook in Brabant huizen gebouwd in de stijl van de Amsterdamse School. De Brabantse ontwikkelingen onderscheiden zich bovendien in niets van die in in andere provincies. Wel noemen we hier de bijdrage van de Bossche School, die met name op het gebeid van de kwaliteitswoningen iets van een Brabants gezicht had. Ook de huizen van de Brabantse architecten Valk en Bedaux mogen niet onvermeld blijven. In het laatste kwart van de 20ste eeuw werd ook in Brabant geëxperimenteerd met alternatieve vormen van woningbouw zoals de Paalwoningen van Piet Blom in Helmond en de bolwoningen van Dries Kreijkamp in Den Bosch.
In Helmond en Den Bosch zijn tegen het einde van de 20ste eeuw nieuwe wijken gerealiseerd in een retro-stijl die enerzijds gebaseerd is op de bouwstijl van de jaren dertig van de 20ste eeuw, en die verder door een variatie aan vormen en huistypen probeert de suggestie te wekken van een min of meer organische groei als een reactie op de strakke regelmaat van oudere wijken.
